enka

De ENKA-fabriek Ede in de oorlogsjaren ‘40–’45

door Hans van Bemmelen

 

Inleiding

Het is onmiskenbaar zo dat de Tweede Wereldoorlog ook zijn sporen heeft achtergelaten in Ede. Zo vlogen op 10 mei 1940  honderden vliegtuigen over. Vanaf dat moment werd het leven in Ede beheerst door de Duitse bezetting.

Het oorlogsgeweld kreeg zijn dieptepunt in het laatste oorlogsjaar.Zo werden op 17 september 1944 door bombardementen vele huizen en gebouwen in de omgeving van de Parkweg, de Verlengde Maanderweg en Park Paasberg verwoest. Daarbij zijn doden en gewonden gevallen. Hotel-pension Terminus en de Christelijke ULO waren met de grond gelijk gemaakt en de katholieke kerk aan de Stationsweg en scholen aan de Padberglaan waren zwaar beschadigd. Ook de ENKA-fabriek werd toen zwaar getroffen.

Op 18 september staken de Duitsers de infanteriekazernes en Huize Barbara in brand.

Op zondag 24 september kwamen vele evacués uit Arnhem naar Ede en op dinsdag 10 oktober moesten op hun beurt bewoners van Ede evacueren. Het betrof bewoners van de Paasberg, Arnhemseweg en de Amsterdamseweg. Een paar dagen later kregen ook de bewoners van Bennekom de opdracht hun woonplaats te verlaten.  

Vanaf 14 september 1944 werden op last van de Duitsers alle fabrieken in Nederland stilgelegd, waaronder ook de ENKA-fabriek in Ede. Alle mannen tussen de 18 en 50 jaar moesten van de Duitsers aan verdedigingslinies werken.

De ENKA-fabriek, de grootste werkgever in Ede, was in die tijd al voor een deel in eigendom van Duitse aandeelhouders van de AKU. De vraag doet zich dan ook voor in hoeverre de ENKA-fabriek in de oorlogsjaren door de Duitsers werd ‘gespaard’. Hoe was verder de verhouding tot de Edese bevolking? Dit artikel probeert hierin meer inzicht te verschaffen. Eerst wordt nader ingegaan op de eigendomsverhoudingen binnen de AKU waarvan de ENKA-fabriek in Ede deel uitmaakte. Daarna wordt beschreven hoe in de oorlogsjaren de voortgang in de bedrijfsvoering van de ENKA-fabriek in Ede was, waarin het accent vooral zal liggen op de voortgang in de productie en de werkomstandigheden. Om een beeld te krijgen van de rol van de ENKA-fabriek ten opzichte van de Edese bevolking wordt tot slot het sociale gezicht van ENKA in de oorlogsjaren belicht.

Eigendomsverhoudingen binnen de ENKA

F.H. Fentener van Vlissingen had in de oorlogsjaren de dagelijkse leiding over de Algemene Kunstzijde Unie (AKU) waarvan de ENKA-fabriek in Ede deel uitmaakte.

Uit de biografische studie van Arie van der Zwan over F.H. Fentener van Vlissingen blijkt dat de zeggenschap binnen de AKU in de oorlogsjaren overwegend in Duitse handen was. Na de oorlog zijn in Duitse archieven contracten aangetroffen waarin de Duitse en de Nederlandse prioriteitsaandeelhouders, die tevens als commissaris van de AKU optraden, zich jegens elkander hadden verbonden in een serie afspraken.

Prioriteitsaandeelhouders
Prioriteitsaandeelhouders zijn aandeelhouders die extra zeggenschap hebben bij belangrijke beslissingen, zoals de benoeming van leden van de Raad van bestuur, de uitbreiding van het aandelenkapitaal en het beslissen over grote investeringsprojecten.
 

De serie afspraken kwam erop neer dat de Duitse en de Nederlandse prioriteitsaandeelhouders een gelijk aantal commissarissen konden benoemen. Indien de Duitse groep dit wenste gold dit ook voor de benoeming van directeuren. De Duitse groep was daarin niet onderworpen aan de goedkeuring van de Nederlandse groep.Eind 1939 werd in aanvulling daarop bepaald dat de Duitse groep het recht had zich door personen met de Nederlandse nationaliteit te laten vertegenwoordigen die dan tot de Duitse groep gerekend werden. In naoorlogse Duitse processtukken over de eigendomsverhoudingen van de AKU is voorts gebleken dat aan het eind van de oorlog 60 procent van de AKU-aandelen zich in Duitse handen bevond.

Het moge duidelijk zijn dat in de oorlogsjaren de Duitsers het in feite voor het zeggen hadden binnen de AKU. Uit de bestudeerde archiefstukken en artikelen is niet gebleken in hoeverre en in welke vorm de Duitse invloed binnen de AKU aantoonbaar zijn gevolgen heeft gehad voor de ENKA-fabriek in Ede.

  
Uit de bedrijfstelling van het CBS in 1930 en in 1950 blijkt dat in Ede de textielnijverheid de belangrijkste werkgever was. Zo was in 1930 43 procent van de werkzame personen werkzaam in de textielnijverheid en in 1950 24 procent. Vanwege de oorlog zijn er over het jaar 1940 door het CBS geen cijfers verzameld. Gezien zijn omvang ten opzichte van andere bedrijven had de ENKA daarin verreweg het grootste aandeel. Ervan uitgaande dat er geen trendbreuk heeft plaatsgevonden kan geconcludeerd worden dat de ENKA ook in de oorlogsjaren de grootste werkgever in Ede was.

Wat hebben die oorlogsjaren voor invloed gehad op de bedrijfsvoering van de ENKA-fabriek en wat zijn de effecten van de oorlogshandelingen geweest in mei 1940 en september 1944?

Effecten oorlogshandelingen

In de zomer van 1939 stond Duitsland op het punt Polen binnen te vallen. Vanwege de hierdoor toegenomen spanningen werd in Nederland op 28 augustus 1939 door het kabinet De Geer II de algehele mobilisatie afgekondigd. Zo begon op 29 augustus een volksverhuizing van meer dan 150.000 dienstplichtigen; mannen in de leeftijd van 20 tot 35 jaar.

Zo moest ook een belangrijk deel van het ENKA-personeel onder de wapenen. Dit had tot gevolg dat door vervanging en overplaatsing de situatie in de fabriek in Ede werd aangepast, zodat de productie van kunstzijde kon worden gecontinueerd.

Tussen ENKA en de genie werden besprekingen gestart over het neerhalen van beide schoorstenen om zo te voorkomen, dat de schoorstenen als doelwit zouden kunnen gaan dienen voor de Duitse bombardementen. Aanvankelijk wilde de genie de schoorstenen in hun volle lengte over de fabriek laten vallen, maar dat wist men van de zijde van de ENKA te voorkomen. Op 10 mei 1940 werd een aanvang gemaakt met het inboren van de schoorstenen op circa 25 meter hoogte. Daar de Duitsers al in aantocht waren zagen de militairen geen kans het werk te voltooien. Wel is in de nacht van 10 op 11 mei geprobeerd met granaatvuur vanaf de Grebbenberg alsnog de schoorstenen neer te halen. Dit is echter niet gelukt en heeft er wel toe geleid dat er enkele huizen in de omgeving werden beschadigd.

Op zondag 12 mei 1940 (eerste pinksterdag) werd om circa half vier in de middag door de Duitsers het bevel gegeven dat alle inwoners onmiddellijk Ede moesten verlaten en zich begeven in de richting van de Driesprong. Wie na 20:00 uur werd aangetroffen in Ede zou worden doodgeschoten. Het gerucht ging dat Ede zou worden platgeschoten. Direct werden alle maatregelen genomen om de fabriek te ontruimen. Tijd voor het leegpompen van de viscoseleidingen, ketels en oplossers werd door de Duitsers niet gegeven. De elektriciteitscentrale werd gestopt, de vuren werden gedoofd en de stoomketels afgespuid. Vervolgens werden de Duitsers door de directie van de ENKA-fabriek gewezen op de gevolgen van hun bevel. Bij langdurige stilstand van de fabriek zal er een aanzienlijke schade gaan ontstaan. Per slot van rekening was de fabriek mede in eigendom van de Duitse Vereinigte Glanzstoffen Fabriken. Aan de Duitsers werd gevraagd vijftig personeelsleden toestemming te geven om het bedrijf in gang te houden. Zij stemde hiermee in. Aan de directie werd toen ook nog medegedeeld dat het niet de bedoeling was om Ede plat te gooien, maar de ontruimingsmaatregel was bedoeld om vermeende vermomde officieren uit Ede te verwijderen.

Voor zover de oorlogsomstandigheden het toelieten is het personeel tijdens de oorlog gewoon aan het werk gebleven. De werkomstandigheden waren echter niet optimaal. Hierover later meer.

Toen in september 1944 de intocht van de geallieerde legers in het zuiden van het land goede vorderingen maakten werd op last van de Duitsers een einde aan de productie gemaakt. Op 14 september 1944 werd de laatste viscose gedrenkt. Het was de bedoeling om de gedrenkte viscose geheel op te spinnen en de zijde tot het eindproduct af te werken. Zover is het niet gekomen. Op zondag 17 september kwamen de eerste zwermen Engelse vliegtuigen over Ede en viel een regen van bommen op de fabriek. Binnen 10 minuten tijds vielen er 86 bommen. Het technisch magazijn van de fabriek werd door brand verwoest.

 

Vooral na september 1944 werden veel goederen door de Duitsers in beslag genomen. Door de door Seyss-Inquart uitgevaardigde verordeningen tot inlevering, verbeurdverklaring en vordering van goederen konden de Duitsers zich veel permitteren. Op het niet nakomen hiervan werden steeds zwaardere straffen gesteld. Ook fabrieksinstallaties werden door de Duitsers gevorderd.

De meeste installaties werden na de oorlog weer teruggevonden. Alleen een ENKA-autobus uit Ede moest in Hannover worden achtergelaten om onrust aldaar te voorkomen.

Zo kwam op 4 oktober 1944 een Duits gezelschap van 4 burgers en een militair de platinagouden spindoppen vorderen. Van directiezijde werd hen toen medegedeeld dat op last van de overheid de doppen naar Arnhem zijn gestuurd. In werkelijkheid waren de doppen verstopt in een bomtrechter naast de elektriciteitscentrale en afgedekt met grond. 

clip image003Het opgraven van de spindoppen

Na de bevrijding in mei 1945 werd meteen begonnen met de herstelwerkzaamheden en al in september kon weer gestart worden met de productie.

image004Op 20 september 1945 komt de productie weer op gang.

De voortgang in de productie

Spoedig na de oorlogshandelingen in mei 1940 draaide de fabriek in Ede weer op volle toeren om aan de vraag naar kunstzijde in Nederland en Duitsland te kunnen voldoen. De productiecapaciteit bleek echter te beperkt. In 1940 was de productiehoeveelheid 3,5 miljoen kg. In de jaren 1941 en 1942 was de kunstzijdeproductie ruim 4 miljoen kg. In 1943 zakte de productie terug naar 3,1 miljoen kg en in 1944 werd tot 17 september slechts 1.4 miljoen kg geproduceerd.

Productieproces kunstzijde
De productie van kunstzijde komt in het kort op het volgende neer. Cellulose wordt onttrokken van gekapte bomen en in vellen aangeleverd aan de kunstzijdefabrieken. In de fabriek wordt de cellulose vermengd met natronloog. Dit mengsel wordt geperst en vermalen tot een fijne kruimel. Deze kruimels blijven anderhalve dag zogenaamd voorrijpen. Tijdens dit voorrijpen worden onder andere de lengte van de molecuulketens van de cellulose verkort om een beter spinbaar product te verkrijgen. Na het voorrijpingsproces wordt de kruimel naar de mengtoren getransporteerd alwaar het gemengd wordt met zwavelkoolstof. De kruimel wordt vervolgens vermengd met loog. Hier vindt de essentiële overgang plaats van vaste cellulose naar vloeibare viscose. Er ontstaat een doorschijnende goudkleurige stroop. Deze stroop blijft twee à drie dagen narijpen. Daarna wordt de viscose gefilterd door deze onder hoge druk door een aantal lagen zeer dicht geweven doeken te persen. Vervolgens wordt de viscose naar de spinnerij gepompt. In de spinnerij wordt de viscosestroop omgezet in een draad. De viscosestroop wordt met grote kracht door een in zuur gedompelde platinagouden spindop geperst. In een spindop zitten een groot aantal gaatjes, zodat er dus dunne straaltjes viscose uit de spindop komen. Deze straaltjes stollen in het zuur tot een dunnen draad. Vervolgens begint het twijnen. Enkele van deze dunnen draden worden tot één draad gevlochten en naar de spinspoel geleid, waarop de draad wordt gespoeld. Dit is het feitelijke spinnen. Daarna wordt de draad ontdaan van de zwavelkoolstof.

 

Belangrijke grondstof voor de productie van kunstzijde is cellulose. Doorgaans werd cellulose gebruikt die vervaardigd was uit één boomsoort. Voor de oorlogsjaren had de ENKA een grote voorraad cellulose opgebouwd. Om de productie in de oorlogsjaren echter op gang te houden werd de ENKA op een gegeven moment gedwongen partijen cellulose te accepteren die vervaardigd waren uit verschillende boomsoorten. Deze partijen kwamen uit landen die door Duitsland bezet waren. Dit betekende wisselingen in het productieproces om de juiste kwaliteit viscose te krijgen. Totaal moest in de oorlogsjaren 57 keer gewisseld worden van cellulose. Ook werden twee of drie geheel verschillende cellulose soorten gemengd om de kwaliteitsverschillen af te vlakken.

Een ander probleem dat zich voordeed in de oorlogsjaren was de stagnatie in de levering van zwavelzuur, zwavelkoolstof en loog. Dikwijls waren er ook problemen met de aanvoer van steenkool voor de elektriciteitscentrale. Eenmaal was er nog voorraad voor enkele uren en moest men met de auto kolen uit Arnhem halen.

De rijksvoorschriften die door de vele rijksbureaus waren uitgevaardigd, waren talrijk en het was dikwijls bijna onmogelijk om de nodige materialen en gereedschappen aan te schaffen.  

In de oorlogsjaren werd ook Enkasa - een kunstvezel uit caseïne ter vervanging van wol (ook wel melkwol genoemd) in  de ENKA-fabriek in Ede geproduceerd. Al in de oorlog is hiermee gestopt, omdat melk toen een schaars product werd en  op de bon was. De technische dienst van de ENKA heeft een groot aandeel gehad in de bouw van de melkwolfabriek.  

In de oorlogsjaren moest het personeel werken onder omstandigheden die de efficiëntie in het productieproces belemmerde. Het bedrijf was verduisterd. Dag en nacht moest er met kunstlicht worden gewerkt. Alle dakramen waren zwart gemaakt om te voorkomen dat door lichtstralen de fabriek zichtbaar werd voor vliegtuigen. Voorts was er regelmatig luchtalarm. De stroomsterkte werd dan teruggebracht naar 40 volt. De fabriekshallen werden daardoor nagenoeg geheel in het donker gezet. Afhankelijk van de ernst van het naderende gevaar werd het personeel met lampen en signalen gewaarschuwd en ging men de schuilkelders in. Spinmachines werden dan stilgezet. Om die machines weer aan de gang te krijgen moesten de spindoppen eerst goed gereinigd worden. Dit stopzetten en reinigen veroorzaakten productieverlies.   

Ondanks de problemen heeft de fabriek in de oorlogsjaren tot half september 1944 zonder onderbreking kunnen draaien en met een niet onbevredigend resultaat.

Werkomstandigheden

Vanwege de economische crisis in Nederland en het snelle economische herstel in Duitsland vanaf 1933, werkten voor de bezetting al Nederlanders in Duitsland. In Nederland konden zij geen werk vinden. In de eerste anderhalf jaar van de bezetting bleef de bemoeienis van de Duitsers met de arbeidsmarkt beperkt.Wel kwamen zij al in juni 1940 met het departement van Sociale Zaken overeen om meer dwang uit te oefenen op werklozen om werk in Duitsland te accepteren. Weigering zou resulteren in stopzetting van de werklozensteun. In het najaar van 1940 begonnen Duitse bedrijven actief  arbeidskrachten te werven in Nederland. Ondanks de maatregelen tegen werklozen bleef het aantal aanmeldingen echter ver achter bij de Duitse verwachtingen.

In september 1941 waren circa 92.000 Nederlanders in Duitsland werkzaam en in maart 1942 ongeveer 165.000. Voor de wapenindustrie was dat echter niet genoeg. Bovendien realiseerden de Duitsers zich dat de oorlog langer ging duren dan aanvankelijk gedacht. Dit had tot gevolg dat miljoenen extra Duitsers onder de wapenen moesten voor de mensverslindende veldtochten. Voor de vervanging van de open gevallen arbeidsplaatsen werd vervolgens gezocht in de bezette gebieden, omdat door de oorlog het evenwicht op de Duitse arbeidsmarkt erg verstoord was geraakt: er waren veel meer arbeidsplaatsen dan arbeidskrachten. Toen het front voor Moskou vastliep en Duitsland ook de VS tegenover zich kreeg, werd het tijd voor een harde aanpak: de arbeitseinsatz. Arbeiders uit de bezette gebieden werden gedwongen voor de Duitse oorlogsindustrie te werken, dus ook Nederlandse arbeiders. In 1942 moesten de bedrijven in de bezette gebieden opgave doen van het aantal personeelsleden en aangeven in welke mate deze (on-)misbaar zijn. Een commissie – de zogenaamde uitkamcommissie – bezocht vervolgens de bedrijven om te bepalen wie in Duitsland moest gaan werken. Later zijn er ook razzia’s uitgevoerd. Eerst waren de bedrijfstakken aan de beurt die minder van belang waren voor de oorlogvoering. Uiteindelijk zijn in totaal circa 275.000 Nederlandse arbeiders als slaaf tewerk gesteld in Duitsland.

Alhoewel de ENKA mede eigendom was van Duitse aandeelhouders en textiel produceerde voor o.a de Duitse markt, weerhield het de uitkamcommissie niet ook een bezoek te brengen aan de ENKA-fabriek in Ede. Deze commissie wees in totaal 291 mannen aan om in Duitsland te gaan werken. Niet iedereen ging en velen – ook niet aangewezen mensen - doken onder. Dat had tot gevolg dat vooral personeel van de textielafdelingen verdween. De productie moest worden beperkt. De directie van de ENKA heeft zoveel mogelijk geprobeerd door overplaatsingen en andere maatregelen het verstoorde evenwicht in de verschillende afdelingen te herstellen. Eén van die maatregelen was om de vervaardiging van gesneden kunstzijde – een product dat niet over de textielafdeling loopt – uit te breiden.

Vanaf half september 1944 werden door de Duitsers alle fabrieken stil gelegd en werden honderden arbeidskrachten gevorderd voor het aanleggen van verdedigingslinies. Een aantal probeerden hier onderuit te komen door onder te duiken. De ENKA liet zich daarin niet onbetuigd om een handje mee te helpen. In Nieuwe Tijden, Nieuwe Schakels van Max Dendermonde  kan men lezen, dat niet alleen administratief bij de AKU vele mensen veilig waren gesteld, maar dat het ingewikkelde complex van fabrieksgebouwen en kantoren van tijd tot tijd ook echte onderduikers heeft geherbergd.

Voor zover men door de druk wel gehoor gaf aan het Duitse bevel, was de motivatie minimaal om maar enige spade in de grond te steken. 

Vlak na de oorlog werden in de ENKA-fabriek in Ede politieke delinquenten tewerk gesteld. Deze politieke delinquenten zaten buiten de arbeidsuren gevangen op het landgoed Avegoor te Ellecom.

Het landgoed Avegoor
Het landgoed Avegoor, vóór en vlak na de oorlog eigendom van de ambtenarenvakbond AbvaKabo, was in de oorlogsjaren gevorderd door de Duitsers om er de Nederlandse SS-school te vestigen. Anno 2008 is het een hotel en conferentieoord.

Op grond van de Wet Bijzondere Rechtspleging werden vlak na de oorlog ‘foute’ Nederlanders eerst in bewaringskampen ondergebracht alwaar zij moesten wachten op hun berechting. Het waren veelal NSB’ers. De bewaringskampen zijn successievelijk ‘omgebouwd’ tot interneringskampen, zoals het landgoed Avegoor. Vanaf 1 januari 1946 was het Directoraat Generaal van de Bijzondere Rechtspleging verantwoordelijk voor deze interneringskampen. In deze kampen werden de geïnterneerden heropgevoed en arbeid diende daarbij als middel tot resocialisatie. De geïnterneerden werden daarom o.a. ingezet bij grote herstel- en ontginningswerkzaamheden en bij de staatsmijnen. De arbeid die zij moesten verrichten moest wel productief en commercieel verantwoord zijn. Verder waren deze NSB’ers goedkoop. Daarom zijn er ook werkgevers geweest die gevangen NSB’ers in dienst hebben genomen.

Het Sociale gezicht van ENKA in de oorlogsjaren

Zoals al eerder vermeld was in de oorlogsjaren de kwaliteit van de arbeidsomstandigheden ver beneden alle peil. Vanwege verduistering, luchtalarm en verblijf in schuilkelders ontstonden er stress situaties bij het personeel.   

Niet alleen de werkomstandigheden, maar ook het algemene leven in bezet Nederland maakten de gezondheidstoestand van het personeel zorgwekkend. Door onvoldoende voeding en medicamenten steeg het ziekteverzuim bij ENKA van 1,4% in 1939 tot 19,2% in 1944.

Dit alles gaf de directie van ENKA aanleiding een aantal activiteiten te stimuleren om het leed te verzachten. De activiteiten waren gericht op de eerste levensbehoeften levensmiddelen, kleding en warmte.

Om ondervoeding te voorkomen werd vanaf april 1941 - aanvankelijk bonloos - warm eten verstrekt in de kantine. Later werd op last van de plaatselijke overheid ook eten verstrekt aan enkele andere bedrijven waaronder de in de gemeente gevestigde nutsbedrijven, de PTT en de NS. De gemeente had hiervoor de goedkeuring van het Rijksbureau voor de voedselvoorziening in Den Haag. Door het op grote schaal bereiden van maaltijden was er veel keukenafval. Dit afval werd gebruikt om een aantal biggen, die in de stallen van Hoekelum werden ondergebracht, vet te mesten. Na de slacht werd het vlees in de maaltijden verwerkt.

Voorts werden in de oorlogsjaren de droogkassen van de krimperij gebruikt voor het drogen van groenten, vruchten en tabak voor het personeel. Dit geschiedde ook voor de officieren die in Duitsland krijgsgevangen zaten.

Het verstrekken van maaltijden vanuit de kantine van de ENKA-fabriek werd vanwege de oorlogshandelingen in september 1944 stopgezet. In het laatste oorlogsjaar toen de fabriek stil lag werden de in de keuken aanwezige levensmiddelen zo goed mogelijk onder het personeel verdeeld. Zout was destijds een distributieartikel en erg moeilijk te krijgen. Vele Edenaren hebben profijt gehad van de zoutvoorraad van de ENKA-fabriek. Ook werden toen op het fabrieksterrein vele volkstuintjes aangelegd door de werknemers.Op veel plaatsen in de gemeente Ede werden vanaf die tijd centrale keukens ingericht. 

Vanaf het begin van 1942 werden vitaminetabletten aan het personeel verstrekt. Aan hen die het nodig hadden werden versterkende middelen gegeven en zieken kregen soms verse groenten aangeboden.   

In  1943 en 1944 werd aan het vrouwelijke personeel enige malen ondergoed en kousen uitgereikt. Later werden aan alle medewerkers en huisgenoten op zeer uitgebreide schaal - buiten de distributie om - onderkleding, dekens, kousen e.d. verstrekt om wat tegemoet te kunnen komen aan de enorme tekorten aan de eerste levensbehoeften.

Met een in Ede gevestigde schoenmaker werden afspraken gemaakt om tegen gunstige voorwaarden met behulp van oude drijfriemen van de ENKA-machines de schoenen van het personeel te repareren.

Ten tijde dat de fabriek stil lag werden de resten bleekloog verdeeld onder het personeel voor het schoonmaken van de kleding. 

Het gebrek aan brandstof in de huishoudens was groot. Het waren strenge winters in de oorlogsjaren. Een grote houtvoorraad op het ENKA-terrein werd daarom onder het personeel verdeeld. Twee houtzagerijen zorgden ervoor dat het hout in handzame blokjes werd gezaagd.

Toen de fabriek in het laatste oorlogsjaar stil lag werd de kolenvoorraad naar de gasfabriek in Ede gebracht.

Tot besluit

Geconstateerd is dat in de oorlogsjaren het eigendom van de AKU, waarvan de ENKA deel uit maakte, hoofdzakelijk in Duitse handen was. Het is niet aan te tonen dat de met goedkeuring van de raad van commissarissen door de topleiding van AKU genomen besluiten, die mogelijk mede gebaseerd waren op het nationaal-socialistische gedachtegoed van Hitler-Duitsland, zijn gevolgen hebben gehad voor de bedrijfsvoering van de ENKA-fabriek in Ede. 

De ENKA-fabriek is door de Duitsers niet ‘gespaard’ en heeft geleden onder de oorlog: de grondstoftoevoer werd belemmerd en de werkomstandigheden waren slecht, terwijl er toch zoveel mogelijk op volle toeren geproduceerd moest worden om aan de vraag te voldoen. Evenals alle andere fabrieken in het bezette gebied van Nederland werd op last van de Duitsers de ENKA half september 1944 stilgelegd. Machines en autobussen werden door de Duitsers gevorderd en getransporteerd naar Duitsland. Daarnaast ontkwam de ENKA-fabriek niet aan een razzia voor de arbeitseinsatz.

De Edese bevolking en vooral het personeel heeft voordeel gehad van de aanwezigheid van ENKA. De directie van de ENKA-fabriek in Ede stimuleerde allerlei maatregelen om het oorlogsleed te verzachten. Zo werden vanuit de kantine maaltijden verstrekt en werd - buiten de distributie om - onderkleding en dekens aangeboden. De steenkool- en houtvoorraad op het ENKA-terrein voorzagen in het laatste oorlogsjaar in de nodige brandstof voor het verwarmen van de huizen.       

Geraadpleegde bronnen

  • De bezetting 1940 – 1945; website “Welkom bij de historie van ENKA – Ede” (www.enka-ede.com)
  • Het dagboek van een Edesche evacué in het jaar 1944; M.A. Feringa – Noordhoff
  • Rapport omtrent gebeurtenissen in bedrijf Ede van 10 – 15 mei 1940 door ing. H. Nolet (bedrijfsdirecteur) (www.enka-ede.com)
  • Wikipedia
  • Hij overwon iedereen op een vrouw na: F.H. Fentener van Vlissingen, 1882 – 1962 door Arie van der Zwan
  • Archief NIOD, Toegangsnummer 270a, Archieftitel: Bijzondere Rechtspleging
  • Terugkeer van ons erfgoed door B.G. Saalmink
  • Edities AKU-Nieuws/De Spindop uit het jaar 1945
  • ENKA-archief; map Psychologische dienst 1946/1947
  • Nieuwe tijden nieuwe schakels door Max Dendermonde
  • Mobilisatie 1939; website “Welkom bij de historie van ENKA – Ede. (www.enka-ede.com)
  • Samen twijnen door Bas Klaverstijn
  • September 1944; website “Welkom bij de historie van ENKA – Ede” (www.enka-ede.com)
  • Ede 1940 –1945 door Vincent Lagerwij en Gert Plekkringa
  • Dagboek van mevrouw drs. Quanjer, destijds geschiedenislerares aan het Marnixcollege.
  • Dr. Van der Vaart Smit, Kamptoestanden 1944/’45 – 1948, Haarlem 1949.
  • Koos Groen, Landverraad, De berechting van collaborateurs in Nederland, Weesp 1984.

 

© 2016 Historisch Museum Ede. All Rights Reserved.

Design: @Magic