enka

Codewoord “Kunstzyfabrik” werd “Enka” dank zij voetballers van “de kunstzij”

(Een interview met mensen van het eerste uur.)

 

Voetbalterm werd telegramadres

We hebben ons eens laten vertellen, hoe de naam Enka is ontstaan. Dat gebeurde langs de lijnen van een voetbalveld, waar wedstrijden werden gespeeld tussen het kantoor- en het fabriekspersoneel van "de kunstzij". Ook waren er wel wedstrijden van het hele bedrijf tegen andere teams, Als het publiek zijn enthousiasme onder woorden wilde brengen, was het natuurlijk ondoenlijk “Hup Nederlandsche Kunstzijdefabriek" te roepen. Dat werd simpel “Hup N.K.". Dat leverde de uitspraak EnKa of Enka.

Geschiedvorser De Jongh zegt, dat in 1918 al populair Enka werd geschreven. Die naam is door oud- directeur Jacques A. D. M. Daniëls, die In 1919 bij de onderneming werd aangesteld om de leiding van de  verkoop-organisatie op zich te nemen, min of meer officieel gemaakt. Het woord “Enka" werd in 1919 of 1920 al als telegramadres gebruikt en In 1924 werd de Nederlandsche Kunstzijdefabriek door het Arnhemse postkantoor officieel gemachtigd deze afkorting te gebruiken als telegramadres.

image002Een deel van het briefhoofd uit 1917, waaruit blijkt dat men een taalfout niet schuwde. "Kunstzij defabriek" werd In het teI .gramadres - voor de zuinigheid verminkt tot "Kunstzyfabrlk".

Eerder werd als telegramadres het codewoord "Kunstzyfabrik" gebruikt, een verminkt germanisme, dat het toenmalige bliefpapier allerminst sierde, Maar iets korters (en dus goedkopers) dan deze dertien letters was niet te maken van de lange naam Nederlandsche Kunstzijdefabriek.

We hebben bij gepensioneerden, die In 1917 al bij de “kunstzij" werkten, eens geïnformeerd of dat verhaal over de voetbalsupporters op waarheid berust.

G, J, van Dijk: "Dat weet Ik echt niet. Er werd wel gevoetbald, ja dat wel. Dr. Hartogs was er altijd bij, als er werd gespeeld tussen het kantoor en de fabriek bijvoorbeeld Als de scheidsrechter dan floot, als er net iemand met de bal voor de goal stond, dan riep hij; Nee, nee, laat doorspelen! Hij wilde zien dat er doelpunten gemaakt werden en hij werd altijd erg enthousiast als hij langs de lijn stond te kijken."

J. W. TIemessen: "Nee, dat verhaal over voetballen, dat geloof ik niet. Er werd wel gevoetbald op een stukje wei vlak tegen de fabriek. Dat was van een boer. Daar speelden we na werktijd dikwij1s een partijtje."

G. van Dijk: Ja, dat klopt. Ik speelde mee in het eerste fabriekselftal; zo af en toe een wedstrijd.  We noemden onze club NK en speelden tegen andere elftallen uit de omgeving. Later werd het een zomeravondcompetitie; er namen, een stuk of vijf, zes elftallen aan deel. We kregen ook een subsidie van dr. Hartogs om geelzwarte  truitjes te kopen. Na afloop van elke wedstrijd was er natuurlijk een borreltje. In Bordelaise. Ik  was keeper in dat allereerste elftal. Maar ik geloof niet dat het al in 1917 was; ik dacht, dat dat voetballen iets van na de eerste wereldoorlog was. In de oorlog, had je wel andere dingen aan het: hoofd,"

We zijn eens gaan tellen en rekenen. De oorlog eindigde in november 1918. Dat jaar zijn er dus zeer waar-schijnlijk geen voetbalwedstrijden meer gespeeld. Maar  De Jongh verzekert, dat de naam Enka populair al bestond in 1918.  Misschien werd in de oorlog dus toch al gespeeld tussen het kantoor en de fabriek. En mis-schien Is de naam "Enka" wel geboren in 1917, maar zeker niet in december.

Vrijwel zeker is, dat de namen Enkalon, Terlenka, British Enkalon, American Enka en Italenka niet zouden bestaan, als er in die jaren niet gevoetbald was. Dan was de naam van de AKU misschien nu wel  "Kunst-zyfabrik"…. 

 

image004Het eerste NK-voetbalelftal, gefotografeerd In 1919. Deze spelers of hun voorgangers - hebben de naam Enka uitgevonden. Op de foto staande van links naar rechts, een supporter, A. Jausen, H. Weimar, J. Kiljan, F. van Oosten, J. Wiggers, D. Ramondt, A. de Jongste. Zittend F. Hentsbergen, J. van Dartelen, G. van Dijk en H. van Daalen.   

J. W. Tiemessen begon op 21 december 1917

J. W. Tiemessen had meer dan vijf jaar militaire dienst achter de rug, toen hij in dienst trad op de afdeling wasserij van "de kunstzij". Vóór zijn dienst had hij thuis gewerkt op de boerderij. We hebben hem gevraagd wat herinneringen op te halen. "Hoe beviel het de eerste dag? Voelde u zich niet gevangen tussen vier muren? U was altijd veel buiten geweest." "Oh, nee, ik kon me meteen aanpassen. Ik kreeg twee leuke mensen bij me, met wie ik kennismaakte. Dat waren Leenders en Klauwe. Leenders was zo'n beetje wat ze nu de eerste man noemen, want hij was de oudste van de wasserij. Oh. zei Leenders, hier is een oude Rijder die de oorlog nog heeft meegemaakt. Met hem zal het wel lukken", zo vertelt ons de heer Tiemessen over zijn allereerste ervaringen bij de Nederlandsche Kunstzijdefabriek, op vrijdag 21 december 1917.

Hij begon meteen in de ploegendienst. Om zes uur in de morgen begon het en het werk ging door tot 's avonds zes uur. Gevraagd naar de beloning voor die twaalfurige werkdag zegt de heer Tiemessen: "De eerste tijd twaalf of dertien gulden per week, ik weet het niet meer precies. Ze betaalden in elk geval beter dan de ge- meente. Wie daar met kar en paard reed, kreeg f7,50; een straatveger verdiende zeven gulden per week. Maar ja, wij hadden er de ploegendienst bij." In de loop van die vrijdag kwam de aanstaande echtgenote van de heer Tiemessen -zij trouwden enkele maanden later- zich melden bij de portier. "Ja ja, het eten werd je gebracht door je vrouw, dan had je tenminste geen koude koffie of thee. Ze meldde zich bij de portier aan de Vosdijk. Dat was Arie van Pelt; hij riep je dan bij zich om het brood te komen halen. De tijd, dat je schaftte, moest je zelf maar bekijken met het werk. Je at de boterham op, als het werk het toeliet. Ja, daar waren ze wel gemakkelijk in."

Hij werkte met z'n belde collega's in de wasserij, waar de spoelen werden gewassen. In die tijd was het pot-spinnen nog niet ingevoerd. Het garen werd uit het spinbad rechtstreeks op een klos gebracht, waardoor een spoel gevormd werd. De drie heren van de wasserij gingen de volle spoelen bij de spinmachine ophalen met wagentjes, waarna bet produkt gedurende liefst zeven dagen gewassen" werd voor het verwijderen van zuurrestanten uit het spinbad.

Lonen en salarissen

In de laatste week van december 1917 werkten er in de fabriek ongeveer 150 meisjes en vrouwen en 80 mannen. Aan weekloon werd betaald ongeveer 3400 gulden. Dat is gemiddeld ongeveer vijftien gulden. Aan 27 mensen (stafpersoneel) in maandloon werd over december ongeveer f 3600 uitbetaald, dat is dus gemiddeld circa f 133 per maand. De weekloners hadden begin 1917 nog gemiddeld f 7,50 per week.

G. van Dijk: "Mijn eerste salaris bij de AKU was f 10 per maand. Dat was in 1913. De eerste opslag was twee gulden. In '17 had ik zeventig gulden in de maand. Dat was een hoog salaris, hoor. Ja, da's veel voor die tijd. Reken maar uit: een spinner kreeg voor 66 uurwerken in ploegendienst f 9,50 per week."

J. G. M. Augustijn: "Van augustus tot december 1913 had ik vijftig gulden per maand. Dat werd in januarif 100,-. Dat was niet zo heel veel voor iemand met een gezin. Ik was toen 32 jaar en had een gezin met vier kinderen, allemaal meisjes. In juli 1917 kwam ik na allerlei ander werk weer op het laboratorium tegen f 140 per maand."

J. W. TIemessen  verdiende - zoals we elders op deze pagina's vertellen - twaalf of dertien gulden per week, toen hij in december in dienst kwam. 

G. J. van Dijk: "Ik begon in september 1917 met 21 cent per uur. Dat werd 28 cent, toen de aannemers dat ook gingen geven. Daarvoor moest ik ongeveer zestig uur per week werken. Zaterdags, geloof ik, tot vier uur. Ik moest een kistje met m'n eigen gereedschap meebrengen; later kregen we daarvoor een vergoeding. Vakantie hadden we niet, maar na twee of drie jaar kregen we twee dagen per jaar."

H. J. Rondeel: "Voor ik bij de kunstzij kwam, had ik bij een bloemist zes gulden per week, Ik wilde meer; want ik was alleen met m'n moeder en dus kostwinner. In september 1917 begon ik bij de Enka voor f 11,50 per week In de ploegendienst, Op zondag verdiende ik soms bij door tegen m'n uurloon twaalf uur te werken in het zwavelkoolstoffabriekje aan de Klingelbeek,"

image005De eerste fabriek aan de vosdijk in Arnhem in 1913 

Herinneringen aan dr. J. C. Hartogs

J. W. Tiemessen: "Dat was een fijne man, Erg goed voor zijn mensen. Met de voedselschaarste in de eerste mobilisatie liet hij iedereen drie mud brandstof en een tas vol boodschappen thuis sturen. Maar hij was ook erg secuur. Als er een kogeltje op de grond lag, dat je wegschopte, en hij zag het, dan liep je de kans ontslagen te worden, Maar als je dat kogeltje opraapte en hij zag het, dan kreeg je een rijksdaalder."

J. G. M. Augustijn: "Wij als ouderen zijn tot het laatst met hem weggelopen, want hij was een goed mens, maar de jongeren waren het niet altijd met hem eens, omdat hij alles zelf wilde doen en controleren." En verder: "Ik moest proeven doen met het spinzuur van de spinnerij. Het afgewerkte vuile spinzuur werd om. hooggepompt naar een bakje boven de machine. Maar ja, die pompjes waren niet altijd even goed afgesteld en draaiden wel eens te hard. Dr. Hartogs en ik waren eens met een proefje bezig en toen hebben we allebei spin- zuur over de kop gekregen, omdat het bakje overliep."

J. W. Nuy: "Ik bevrachtte goederen voor de AKU, bijvoorbeeld glucose uit Veendam. Dat was in de tijd van Hartogs, Met hem had je alleen te maken, want hij regelde alles zelf, Een keer was het laagwater en de schepen konden niet aan de kade komen. Toen zegt Hartogs tegen mij: Je zorgt maar dat het uit het schip komt. Ik zeg hem, dat dat zo niet kon Het moet, zei hij. Het kan zo niet, zeg ik weer. Ja, je moest weten wat Je waard was, als je met hem te doen had. Dus ik zeg: Weet je wat, u moet een lange sleuf laten maken, waar we dat spul doorheen kunnen laten glijden, En die schuit is er gekomen. Ik moet zeggen, dat hij het altijd toegaf, als hij zich vergist had."

G. van Dijk: "Hij ging er altijd zelf op uit om grondstofleveranciers te zoeken en hij slaagde bijna altijd. Ja, hij was alles tegelijk: boekhouder, koopman en chemicus. Hij heeft goed voor mij gezorgd toen ik ziek was." De heer Van Dijk lag in 1917 met een longontsteking lange tijd op bed.

G. J. van Dijk: "Dokter Hartogs maakte elke morgen een ronde door het bedrijf met een bankwerker, een timmerman, een metselaar en een schilder achter zich aan. De laboratoriumchef Bernsen was er ook vaak bij. Dan liepen we de hele fabriek door en dan zei baasje - ja, zo noemden we dr. Hartogs - tegen Iedereen,wat voor karwei ze die dag moesten opknappen. Op het kantoor vertelde hij dat dan nog eens precies. Als ik dan bijvoorbeeld bij de zuurbaden iets moest gaan timmeren en ik ging spijkers halen en baasje kwam me tegen, dan vroeg hij: Waar ga je heen, Van Dijk? Dan zei ik: Ik ga spijkers halen, doctor. Maar dat vond hij niet de goede manier van werken en hij zei: Als je ergens aan begint, moet je zorgen dat je spijkers bij je hebt. Ja, zo was hij. Hij controleerde alles zelf en hield de hele zaak bij. Een heel beste man, hij had wel zijn eigenaardigheden. Hij en zijn vrouw waren allebei gek met kinderen. Na de eerste oorlog kwamen de grote Sinterklaasfeesten voor kinderen van het personeel. Geweldig was dat. Eerst in de oude Volksbond, later In Musis."

B. J. Rondeel: "Hij ging veel op reis, voor zaken. Dikwijls kwam hij dan met de laatste trein in Arnhem aan en ging dan nog even de fabriek inspecteren. Eén keer heb ik hem tegen een uur 's nachts gezien en om half vier 's morgens was hij er alweer. Soms reed hij op de fiets door het bedrijf heen. Hij ze altijd jongelui, ook als er mensen van zestig bij waren. Eens kwam hij op een zondag even de zwavelkoolstoffabriek in. Even maar, want hij vond het er te gevaarlijk. Dag jongelui, hoe gaat het ermee? zei hij. Goed meneer. zeiden wij. Dan vroeg hij: wat ben je aan het doen? Aan het destilleren meneer. En dan waarschuwde hij: Voorzichtig, hoor, en het beste ermee. Dan vertrok hij alweer. Ja, en ik heb ook nog eens samen met Hartogs gesponnen; dan had hij een lange stofjas aan. Hij nam ook wel eens proeven. De spoelen stonden wel een week in het water om zuurvrij te worden. Bij zo'n proef kwam hij na twee of drie dagen kijken en dan nam hij de spoel uit het water. Hij zette hem aan de mond en zoog eraan om te proeven of er nog zuur in zat. Ja echt. Er was niemand die 't hem nadeed. Hij heeft veel reuze goeie dingen gedaan, zoals het Sinterklaasfeest. Dat was elk jaar prachtig. Wat die kinderen allemaal kregen was fantastisch, speelgoed, kleren en noem maar op."

image007Dr. Hartogs de eerste directeur van de Nederlandsche Kunstzijdefabriek. 

© 2016 Historisch Museum Ede. All Rights Reserved.

Design: @Magic