enka

Veranderingen in een Veluws dorp in de periode 1919 -1939

De economie in Ede

In 1900 was 57% van de Edese bevolking nog werkzaam in de landbouw. Tien jaar later was   het aandeel van de landarbeiders gedaald tot 47%. Van de rest van de beroepsbevolking werkte 21% in de nijverheid, de overige 32% was in dienst van het rijk ( garnizoen), oefende een vrij beroep uit of was langdurig werkloos. Hoewel de Eerste Wereldoorlog aan Nederland voorbij was gegaan, waren de economische omstandigheden in 1918 niet goed. In het dorp heerste een crisissfeer met het gevolg dat in de winter  veel inwoners een beroep deden op de gemeentelijke armenzorg of aanklopten bij de diaconie van de Nederlands Hervormde Kerk. 

Hoewel met de komst van het garnizoen de werkgelegenheid in Ede en omgeving was verbeterd, bleef de arbeidsmarkt zo ongunstig, dat werkverschaffingsprojecten noodzakelijk bleven.

Het plan van Dr. Hartogs om in Ede een grote kunstzijdefabriek te bouwen, kwam voor burgemeester Creutz dan ook als een geschenk uit de hemel. De nieuwe fabriek zou werkgelegenheid bieden aan 650 mannelijke en 1300 vrouwelijke werknemers. Het inwonertal van Ede zou met de komst van de fabriek stijgen en bovendien werd een flink bedrag aan extra belastinginkomsten in het vooruitzicht gesteld. Als tegenprestatie diende de gemeente medewerking te verlenen bij de bouw van driehonderd arbeiderswoningen. Op het moment dat de gemeenteraad akkoord ging met het voorstel voor de woningbouw, was de weg vrij voor Dr. Hartogs om zijn plannen voor een nieuwe kunstzijdefabriek te realiseren. Met de vestiging van de fabriek kwamen nieuwe inwoners uit alle delen van Nederland naar Ede en deed een nieuw element, in de persoon van de fabrieksarbeider, zijn intrede in de Edese samenleving. De snelle metamorfose van plattelandsdorp naar industrieplaats moet een enorme impact hebben gehad op het dorp en haar bewoners.

Vooral in de eerste twintig jaar na de oprichting van de fabriek hebben zich in Ede grote veranderingen voorgedaan. In mijn scriptie heb ik geprobeerd veranderingen te beschrijven die, mede door de aanwezigheid van de ENKA de Edese samenleving een ander gezicht gaven.

Zoals uit de grafiek op de volgende pagina blijkt, groeide de werkgelegenheid in de gemeente Ede hoofdzakelijk door de komst van de ENKA.

  Nieuwe vestigingen te Ede van 1918 tot 1928        aantal personen      
  bedrijfsgroep aantal bedrijven.     bij opr. in 1928   
  drukkerijen 1 7 7
  houtbewerking 5 23 35
  autoherstelwerkpl. 1 4 6
  metaalwarenfabr. 1 8 10
  metaal-ijzergieterij 1 23 29
  smederijen 1 9 9
  kunstzijdefabrieken 1 1609 3448
  sigarenfabrieken 1 3 66
  totaal 12 1686 3610

De Nederlandse Kunstzijdefabriek

De oprichter van de fabriek

Jacques Coenraad Hartogs  die in 1879 in Rotterdam werd geboren als zoon van de eigenaar van een handelshuis in textiel moet worden gezien als de grote stimulator van de kunstzijde-industrie in Nederland. Hij behaalde in 1908 zijn doctoraal in de chemie, en vertrok met zijn echtgenote naar Engeland om bij de firma Courtauld de finesses van de kunstzijdeproductie te leren. In de periode dat Hartogs bij Courtauld werkzaam was, ontwierp hij een spinpomp en bedacht verbeteringen voor het spinbad. In 1909 keerde Hartogs terug naar Amsterdam voor promotieonderzoek.

De start van de Nederlandse kunstzijde-industrie

Kort na zijn promotie besprak Hartogs met enkele belangrijke personen zijn plannen voor de bouw van een kunstzijdefabriek in Nederland. Na deze bijeenkomst stuurde hij zijn gesprekspartners een prospectus waarin hij zijn ideeën uiteenzette. Enkele maanden na dit gesprek had Hartogs het benodigde kapitaal bijeen voor de start van een kunstzijdefabriek. Hij ging zo voortvarend te werk dat op 8 mei 1911 in Arnhem de N.V. Nederlandse Kunstzijdefabriek werd opgericht.  Vanaf het moment dat de fabriek in 1913 in Arnhem haar poorten opende, was de kunstzijdeproductie in Nederland een feit. Kunstzijde kon worden geproduceerd uit goedkope grondstoffen. Zij had meer glans dan echte zijde en kon voor meer doeleinden gebruikt worden.

Hartogs als fabrieksdirecteur.

Kenmerkend voor de tijd waarin Hartogs de Nederlandse Kunstzijdefabriek oprichtte, was een liberaal beleid waarin sociale zorg niet tot de taak van de overheid behoorde. Ondernemers konden lonen en arbeidsvoorwaarden vaststellen zoals het hun uitkwam. Daar tegenover was bij een aantal bedrijven ook sprake van nobele sociale motieven.Deze ondernemers onderscheidden zich door het oprichten van sociale fondsen en woningbouw- en fabrieksverenigingen. De sociale voorzieningen die zij voor hun werknemers in het leven riepen waren echter ook vaak ingegeven door eigenbelang. Enerzijds bedoeld om de groei van het bedrijf te stimuleren, anderzijds om arbeidsonrust te voorkomen.Hartogs, die was opgegroeid in een Joods liberaal milieu, leefde niet als orthodoxe jood, maar volgde wel de joodse sociale wetten voor zijn personeel. Vanaf de start van de onderneming richtte hij zich ook op het welzijn van de werknemers van de kunstzijdefabriek.

De ENKA buiten de landsgrenzen

Gedwongen door de dalende prijzen van kunstzijde, werden afzetvergroting en effectieve productiemethoden noodzakelijk. In 1925 werd onder leiding van Hartogs de Maatschappij tot Exploitatie van Kunstzijdefabrieken in het buitenland opgericht. Deze maatschappij kreeg als opdracht: “Het bevorderen van investeringen en deelneming aan industriële activiteiten in het buitenland”. In de volgende jaren kreeg de ENKA onder meer belangen in Frankrijk, Italië en Engeland. In de VS was Hartogs in 1928 medeoprichter van de American ENKA Corporation. Met dit initiatief kreeg de ENKA toegang tot een groot Amerikaans afzetgebied.  In 1929 zette de ENKA een nieuwe stap naar internationalisering. Het bedrijf fuseerde met de Vereinigde Glanzstoff Fabriken A.G. in Duitsland.De nationale ENKA werd de internationale Algemene Kunstzijde Unie (AKU).

Hartogs afscheid van de kunstzijdefabriek

Hartogs had grote moeite met het delen van de eindverantwoordelijkheid in de nieuwe onderneming. Een jaar na de fusie legde hij, in overleg met de Raad van Commissarissen, zijn functie neer. Tot aan zijn dood bleef hij als adviseur met het bedrijf verbonden.  Hij overleed in 1932 tijdens een handelsreis aan een hartstilstand.  In 1961 memoreerde K. Soesbeek Hartogs met de woorden: “Een eenhoofdige directie stelt hoge eisen aan de organisatie om de eenheid van beleid te handhaven. Hartogs was in wezen een eenzame figuur op zijn hoge post.”

De bouwgeschiedenis van de kunstzijdefabriek in Ede

Uitbreiding van de kunstzijdeproductie

Enkele jaren nadat de eerste kunstzijde in Arnhem was gesponnen, bleek dat de ENKA niet aan de toenemende vraag kon voldoen.  

In december 1918 kreeg Hartogs opdracht om in Nederland op zoek te gaan naar een geschikte locatie voor een nieuwe fabriek. Mogelijke vestigingsplaatsen waren Heerlen, Enschede en Winterswijk. Als gevolg van de uitstroom uit de landbouw en de slechte economische situatie in Duitsland, kon men in de grensstreek over een groot arbeidspotentieel beschikken. Een bijkomend voordeel was het lage loonpeil in deze streken. In eerste instantie koos de directie voor Winterswijk. De bouw ging niet door omdat het water in Winterswijk ongeschikt bleek voor kunstzijdeproductie. In augustus 1919 sprak Hartogs met burgemeester Creutz van Ede over de bouw van een kunstzijdefabriek in het dorp.  Ede beschikte over een aantal gunstige vestigingsfactoren.

  1. De ligging van het terrein op het hoogterras van de Veluwe waardoor men veel water van goede kwaliteit kon oppompen.
  2. Een locatie aan de spoorlijn Arnhem – Utrecht, gunstig voor het vervoer van grondstoffen, producten en arbeidskrachten.
  3. De haven van Wageningen op 10 kilometer afstand, wat geschikt was voor de aanvoer van grondstoffen over water.
  4. Goedkope grond.
  5. Het terrein lag op korte afstand van Arnhem zodat het management de eerste jaren in deze stad kon blijven wonen.

Twee problemen moesten worden opgelost:

  1. In Ede en directe omgeving waren onvoldoende geschikte arbeidskrachten beschikbaar.
  2. De afvoer van het afvalwater kon nog niet naar behoren worden geregeld. Voorbereidingen

Tijdens de bespreking met burgemeester Creutz vroeg Hartogs medewerking van de gemeente bij de bouw van 300 arbeiderswoningen. De steun van de gemeente bij de huisvesting van de fabrieksarbeiders was een voorwaarde voor de vestiging van de fabriek. Als locatie voor de nieuwe kunstzijdefabriek had Hartogs de “Schraaljammerheide”  op het oog. 

De Kunstzijdefabriek Nederland kocht op 20 augustus 1919 in totaal 34,579 ha. heide en houtopslag  á  f. 0.20, - per vierkante meter van een rentmeester, een projectontwikkelaar avant la lettre en een particulier. In tegenstelling tot wat door Van Eck in zijn sociografie uit 1938 werd geopperd, behoorden de verkopers van de grond niet tot de ENKA-directie. Omdat aan het einde van de Eerste Wereldoorlog de industrie weer aantrok was de f. 69.125, - die voor de industriële bouwlocatie aan een spoorlijn werd betaald alleszins redelijk.

In de raadsvergadering van 2 september 1919 werd het verzoek van Hartogs besproken om medewerking te verlenen aan de bouw van de 300 arbeiderswoningen. In de discussie over het voorstel werden als positieve punten voor de komst van de fabriek genoemd: nieuwe werkgelegenheid, bevolkingsgroei en extra belastinginkomsten van f. 48.000. Van Hunnik (CHU) wilde zijn stem aan het voorstel geven op voorwaarde, dat het complex arbeiderswoningen als een tuindorp zou worden gebouwd. Door d bouw van arbeidershuizen in de vorm van een tuindorp zou het dorpse karakter van Ede minder worden aangetast. Het raadslid Dinger (Onafh.) vroeg zich af: “moet Ede een fabrieksplaats worden, of een pensionplaats?” De raad maakte zich wel grote zorgen over problemen die zich bij een onverhoopte sluiting van de fabriek zouden voordoen. Ondanks alle zorgen liet de raad, na uitvoerig overleg, werkgelegenheid prevaleren en nam het voorstel aan met 15 stemmen voor en 2 stemmen tegen. Eén dag na deze raadsvergadering werd, onder voorzitterschap van Hartogs, de woningbouwvereniging ‘Vooruit’ opgericht.

De bouw van de fabriek

Hartogs gaf aan de genieofficier en bouwkundig ingenieur Jhr. J.W. Van den Bosch opdracht voor de bouw van de fabriek.Van den Bosch ontwierp niet alleen de fabriek maar was tevens uitvoerder van het project. Het door hem ontworpen grootschalige complex werd gekenmerkt door een planmatige opzet en een efficiënte indeling.

De eerste fase van de bouw werd uitgevoerd door tweehonderd arbeiders onder leiding van Duitse ingenieurs. Men bouwde dag en nacht onder het licht van booglampen die van stroom werden voorzien door een provisorische installatie. De ijzerconstructies voor de fabriekshal, die werden aangevoerd uit Duitsland, werden in kolomgaten geplaatst en aan elkaar geklonken. Op het bouwterrein midden op de heide, werden de benodigde klinknagels gesmeed. Gedurende het hele bouwproces was Hartogs dagelijks op de bouwplaats te vinden waar hij een oogje in het zeil hield.

Lunchtfoto ENKA 1922 13x10Een luchtfoto van de fabriek omstreeks 1923. Bron: Enka-reunievereniging.

Het bouwplan

Het hoofdgebouw bestond uit een carré van vier gesloten vleugels met op elke hoek een toren. Het hart van het carré werd gevormd door de kolencentrale met een 75 meter hoge schoorsteen. De technische werkplaatsen waren rond het carré geplaatst. De carrévorm was afgestemd op een logische arbeidsgang: rechts van de hoofdpoort kwam de cellulose binnen om middels de U-vorm van het complex tegen de klok in het productieproces te doorlopen. Uiteindelijk verliet het eindproduct links van de poort de fabriek. Eén van de hoektorens deed dienst als watertoren. Het benodigde fabriekswater werd ter plekke opgepompt. Voor het productieproces was per dag 12.000 kubieke meter water nodig. In de jaren twintig gebruikte een middelgrote stad een zelfde hoeveelheid water per dag. Het afvalwater werd in een gesloten riolering tot aan de spoorsloot afgevoerd. Een aftakking van de spoorlijn liep via een toegangspoort naar het fabrieksterrein. Deze lijn werd gebruikt voor de aanvoer van kolen en grondstoffen en voor het transport van het eindproduct. De toegangspoort in het midden van de westgevel was bereikbaar via de Enkalaan die de hoofdingang verbond met de Grintweg (nu Bennekomseweg).  

Uitbreiding van de fabriek

In 1924 bleek het noodzakelijk de capaciteit van de fabriek in Ede uit te breiden. De eerste uitbreiding was een kleed- en schaftgelegenheid voor vrouwen en meisjes. Voor het vervoer van grote aantallen meisjes en vrouwen was in 1924 door de ENKA de EVA busmaatschappij opgericht. Op dat moment was de EVA met 39 bussen de grootste busonderneming van Nederland. Voor het onderhoud van deze bussen werd in 1926 een garagecomplex gebouwd. In hetzelfde jaar werd een magazijn voor de opslag van magnesiumsulfaat gerealiseerd. Aan de zuidkant van het carré kwam een tweede schoorsteen die nodig was voor de afvoer van spingassen.

In 1927 besloot de Raad van Commissarissen tot de bouw van een nieuwe productie-eenheid in Ede. Voor deze nieuwbouw ging de opdracht opnieuw naar Jhr.Van den Bosch. Hij ontwierp en bouwde in 1928 een L-vormige westvleugel. Twee, haaks op elkaar staande panden werden samen met een derde gebouw tegen de westkant van het oude carré aangebouwd. Hierdoor ontstond een tweede binnenplaats. Glazen daken zorgden voor een egale binnenverlichting, zodat de werkomstandigheden voor de werknemers aanzienlijk verbeterden. De noordwestelijke hoektoren werd links van het nieuwe poortgebouw ingepast, rechts van de poort kwam een nieuwe toren. De ingang van de fabriek kwam nu aan de Parallelweg langs de spoorlijn te liggen. Aan de oostkant van de poort werden nieuwe kleedlokalen voor meisjes en vrouwen gerealiseerd. Door de strakke gevelwanden, waarin de torens waren ingepast, kreeg de fabriek de uitstraling van een moderne industriële vestiging.

1928Een luchtfoto van de fabriek genomen na de uitbreiding van 1928. Bron: Enka-reunievereniging

De kunstzijdeproductie in de fabrieken in Arnhem en Ede

Voor kunstzijdeproductie in Nederland koos Hartogs voor het viscoseprocédé. Vanaf de start van de productie waren er problemen met het spinbad. Elke dag stond men voor nieuwe raadsels die alleen konden worden opgelost door zorgvuldige observatie van de dagelijkse praktijk. Als geen ander begreep Hartogs dat onderzoek van de vezels en proeven met het spinbad belangrijk waren. Hiervoor bouwde hij een klein chemisch laboratorium waar hij met zijn medewerkers aan de hand van experimenten de problemen probeerde op te lossen.    

Op het moment dat de kunstzijdeproductie in Ede van start ging, behoorden de  moeilijkheden van de eerste jaren al grotendeels tot het verleden. Met moderne machines werd de viscose naar de spinnerij gepompt, waar ze met grote kracht door een platinagouden spindop in een zuurbad werd geperst. De spindop was voorzien van minuscule gaatjes waaruit dunne straaltjes viscosestroop liepen die in het zuur stolden tot een draad. Deze draden werden opgepakt en naar een spinspoel geleid. Om de zwavelkoolstof te verwijderen moesten de draden worden gespoeld. Met dit spoelen en bleken werd het natte proces afgesloten en was de viscosedraad klaar voor verdere bewerking. Voor de nabewerking van de viscosedraden in het textielproces waren honderden meisjeshanden onmisbaar.

Het garen werd eerst op spoelen gewikkeld, waarna het van buitenaf opnieuw werd gespoeld. Deze draden waren de los naast elkaar liggende bundels uit het spinbad. Twijnmachines draaiden de bundels in elkaar zodat een stevige draad ontstond. Na het twijnen werd het garen gehaspeld en getransporteerd naar de strengensorteerafdeling. Hier werd het nog eens gewassen en gebleekt. Het eindproduct werd verzendklaar in strengen afgeleverd.

Verbeteringen van het productieproces

Als gevolg van de wereldcrisis stagneerde de wereldhandel aan het eind van de jaren twintig. Hoewel de vraag naar kunstzijde nog steeg, daalden de prijzen van het garen tot onder de kostprijs waardoor rationalisatie van het productieproces noodzakelijk was. (in 1920 kostte kunstzijde f. 32, - per kilo, in 1932 was de prijs gedaald naar f. 2, - per kilo) Om de winstmarge te verbeteren zochten technici naar een methode om de draden dunner te maken. Hiervoor werd in 1928 het strekspinprocédé ontworpen. Tijdens dit proces werden de gesponnen draden opgerekt zodat ze dunner en sterker werden dan voorheen.Tussen 1931-1933 werd het spoelproces verbeterd waarbij het wasmiddel van binnenuit door het garen op geperforeerde spoelen werd geperst. Nu werd de zijde volledig gebleekt op de spoelen.Door de automatische conesmachines werden veel werkneemsters overbodig.

image002 Over de jaren 1926 en de jaren na 1930 zijn geen gegevens over het aantal vrouwen dat werkzaam was bij de ENKA beschikbaar.

Reacties van overheden en de bevolking

De Exonerende Landen in Wageningen maakten vanaf november 1919 bezwaar tegen de kunstzijdefabriek. In een brief van 28 november 1919 schreef deze instantie aan het gemeentebestuur van Ede: “De directie van de Kunstzijdefabriek heeft, alvorens tot aankoop van de terreinen voor de nieuwe fabriek over te gaan advies gevraagd op welke wijze de lozing van afvalwater het best mogelijk zou zijn. Zij was voornemens dit water langs de bermsloot door de ‘Maanen’ naar Veenendaal te leiden. Men kreeg te horen dat dit niet toelaatbaar was omdat, overeenkomsten uit 1714 en 1726 verbieden vreemd water in de waterlossing te laten, terwijl de polders verder overbelast zullen worden.” Verder werd gewezen op het feit dat de directie van de fabriek de besprekingen plotseling had afgebroken.

Op 26 mei 1920 legde de Nederlandse Kunstzijdefabriek een plan voor aan B & W van Ede, voor een waterafvoer die rechtstreeks vanaf de fabriek naar de Kade ( een waterloop die uitmondde op de Grift ) zou lopen. De Exonerende Landen vroegen op 7 oktober 1920, aan de Gedeputeerde Staten van Gelderland om opheldering omdat aan de fabriek een hinderwetvergunning was verleend, zonder dat voor de lozing van het afvalwater een leiding was aangelegd. Men was verbaasd over het feit dat noch de poldermeesters ‘Maanen’en ‘Veldhuizen’, noch het gemeentebestuur, hen hiervan in kennis hadden gesteld. Men verlangde een streng onderzoek en het wederrechterlijk stilleggen van een afvoerleiding. De Poldermeesters van ‘Maanen’ en ‘Veldhuizen’ stuurden 30 augustus 1921 een brief aan G.S. met de mededeling dat de invloed van de afvoer van de ENKA gering zou zijn. In deze brief werd tevens vermeld dat de poldermeesters alle vertrouwen hadden in het overleg van de gemeente met het RIZA over de hinderwetvergunning van de fabriek. Volgens de poldermeesters had de directeur van de kunstzijdefabriek een reusachtig bassin ingedijkt op het fabrieksterrein waar het fabrieksafvalwater ontdaan werd van schadelijke stoffen. In tijden van droogte zou het fabriekswater een uitkomst in plaats van een gevaar voor het algemene belang zijn. In 1921 werd door de ENKA een vergunning aangevraagd voor een brei-inrichting voor de verwerking van kunstzijde en de daarbij behorende afzuiginstallatie. De vergunning werd 25 januari 1922 verleend. Hiertegen tekenden de Exonerende Landen beroep aan. Zij stuurden aan de gemeente een afschrift van dit beroep bij de Raad van State van 31 juli 1922. In een beschikking van 29 september 1922 werd, aan de hand van het beroep door de Exonerende Landen, de hinderwetvergunning die door B&W aan de Kunstzijdefabriek was verleend, vernietigd. De politie van Ede schreef 18 oktober 1922 aan de officier van justitie in Arnhem dat de fabriek opnieuw een aanvraag voor een hinderwetvergunning had ingediend.

Op 21 maart 1923 werd een definitieve hinderwetvergunning verleend. Het probleem van de waterafvoer werd in de onderzochte periode niet opgelost.

Besluitvorming in de gemeenteraad over ‘Vooruit’

De gemeenteraad van Ede gaf op 2 september 1919 het groene licht voor de komst van een kunstzijdefabriek in Ede-Zuid. Voor de huisvesting van haar werknemers had de ENKA huizen nodig die zij door oprichting van een woningbouwvereniging wilde realiseren. De woningbouwvereniging ‘Vooruit’ was opgericht om optimaal gebruik te kunnen maken van de financieringsmogelijkheden welke de Woningwet van 1901 bood. Deze vereniging, was formeel onafhankelijk. Echter uit het feit, dat alle bestuursleden, met uitzondering van de Edese huisarts dr.Weyer, in dienst waren van de ENKA, blijkt dat er nauwe banden waren met de kunstzijdefabriek. De ENKA zorgde voor het stichtingskapitaal dat bestond uit de helft van het aandelenpakket van f. 20.000, - . Hartogs kocht op 13 november 1919, met geld van de ENKA, de grond voor de bouw van het tuindorp. Ook de correspondentie over het bouwproject, het screenen van toekomstige bewoners en problemen met bewoners van het tuindorp, liepen via het hoofdkantoor van de ENKA in Arnhem. Bij K.B. van 25 oktober 1919 werd de woningbouwvereniging goedgekeurd. 

Op het moment dat de gemeenteraad, akkoord ging met de bouw van de arbeiderswoningen, werd tevens vastgelegd dat de gemeente een deel van de exploitatiekosten van de woningen zou vergoeden. Jaarlijks was hiervoor f. 20.000, - nodig. Er werd afgesproken dat, in het geval de gemeente zorgde dat bij verhuur van de woningen, de ENKA-werknemers als eerste voor een woning in aanmerking kwamen, de kunstzijdefabriek de helft van dit bedrag voor haar rekening zou nemen. Zoals blijkt uit correspondentie uit de periode 1922-1939 regelde niet de gemeente, maar ‘Vooruit’ de verhuur van de woningen. De kosten voor de bouw van het tuindorp werden verdeeld volgens de sleutel: ¾ rijk, ⅛  gemeente en ⅛  ENKA. Tegenover de forse aderlating voor de gemeentelijke schatkist, stond een groot bedrag dat via de belastingen naar de gemeente zou terugvloeien.

Dat niet alles verliep zoals de raad zich had voorgesteld, werd duidelijk op het moment dat de gemeenteraad op 16 november 1920 de aanvraag voor het eerste bouwvoorschot aan de woningbouwvereniging ‘Vooruit’ behandelde. Bij deze gelegenheid  legde  ‘Vooruit’ een contract ter tafel met afspraken, waaraan zowel de gemeente als de ENKA zich diende te houden.  In het contract stond, dat ‘Vooruit’ belang hechtte aan een tuindorp waarin het ordelijk toeging. In de woningen mocht geen nering of bedrijf worden uitgeoefend, noch alcoholhoudende drank verkocht. Het raadslid Oostwaard (Onafh.) bracht in de vergadering naar voren, dat ‘Vooruit’ op dat moment al zonder bouwvergunning met de bouw was begonnen. Tulp (AR) verzocht inzage in de cijfers van ‘Vooruit’. Kroon (SDAP) protesteerde tegen de bepaling dat de ENKA de huur mocht opzeggen aan ontslagen werknemers. Burgemeester Creutz merkte op: “ het tuindorp wordt juist ten behoeve van de fabriek gebouwd en niet ter voorziening van den woningnood”. Bovendien ligt er niets onregelmatigs in dat, wanneer een arbeider niet meer op de Kunstzijdefabriek werkt, hem de huur wordt opgezegd. De Kunstzijdefabriek verleent toch niet voor niets 50% van het bedrag van het exploitatietekort”. Voor de bouw van winkels wilde de raad geen geld beschikbaar stellen. Uiteindelijk werd het voorstel aangenomen met vijftien tegen twee stemmen.

In 1922 stelden de raadsleden vragen over de kwaliteit van de woningen van het eerste complex en bovendien vroeg de raad zich af of er wel een bouwvergunning was verleend. De burgemeester meende dat er mondeling al toestemming was verleend voor de bouw van halfsteense muren, echter hij vond wel, dat ‘Vooruit’ de bouwaanvraag voor het tuindorp snel moest indienen. De goedkeuring voor het voorschot van het tweede complex werd na enige discussie verleend. Een aantal raadsleden vond dat de ENKA de bouw zelf wel kon betalen. Van Voorthuizen stelde dat Ede voor de komst van de fabriek welvarender was. De Klein was van mening dat de vestiging van de ENKA welvaart betekende voor het dorp. Van Hunnik noemde extra belastinginkomsten en de toegenomen werkgelegenheid als voordelen die de fabriek had gebracht. Uiteindelijk werd het voorschot verleend met acht stemmen voor en zes tegen.

In 1924 werd de vergunning aangevraagd voor de bouw van de laatste 70 woningen van het tweede complex. Tijdens de vergadering van 30 juli 1924 behandelde de raad de agitatie in de locale pers waarin “Vooruit’ werd beschuldigd van betalingen waarvoor geen voorschot was verleend. De aantijgingen in de krant werden voor een deel ontzenuwd al was burgemeester Creutz van mening dat ‘Vooruit’ met de aanleg van een spoorlijntje naar de bouwplaats en de bouw van een directiekeet (ondanks een verbod van de gemeente), onjuist had gehandeld.

Nadat de raad inzicht in de boeken van “Vooruit” had gevraagd, vroeg de ENKA het stichtingskapitaal van ‘Vooruit’ terug, vervolgens deelde de ENKA aan de gemeente mee, dat volgens de wet de schulden, die veroorzaakt waren door uitgaven waarvoor geen toestemming aan de gemeente was gevraagd, volgens de wet ten laste van de gemeente kwamen. De gemeente ontving een brief van de ENKA met de mededeling dat de fabriek een gunstige lening aan ‘Vooruit’ wilde verschaffen op voorwaarde dat de laatste 70 woningen konden worden gebouwd. Het raadslid Kroon (SDAP) merkte op: “het contract met de ENKA zit zo handig in elkaar dat alle troeven in handen van de ENKA zijn”. De gemeente stond voor de keus, eigenaar worden van een woningcomplex met zware schulden, of samen met de kunstzijdefabriek de problemen oplossen. Men koos voor het laatste en verleende alsnog toestemming voor de bouw van de resterende woningen. In dezelfde vergadering werd een motie van de SDAP aangenomen tegen de invoering van de volcontinudienst door de ENKA. Uit alles blijkt dat de verhouding gemeente ENKA zo nu en dan flink onder druk kwam te staan. Zo waren de raadsleden over de weigering van Hartogs om forensenbelasting te betalen, evenmin te spreken. Uiteindelijk werd deze kwestie, na enkele processen via de Gedeputeerde Staten, opgelost. 

In een discussie over de gevolgen van de leegstand bij ‘Vooruit’, met als consequentie dat de gemeente een groter exploitatietekort moest bijpassen, merkte burgemeester Creutz op: “Het bestuur van ‘Vooruit’ let streng op dat zij woningen verhuurt aan goede betalers en nette bewoners. Een gevolg is dat de woningen soms geruime tijd leeg staan’.

Een definitieve oplossing voor de financiële problemen van ‘Vooruit’ kwam in 1932 toen er een afbetalingsregeling voor de tekorten van de woningbouwvereniging met de AKU werd afgesproken. Van het exploitatietekort voorafgaand aan de jaren 1929 en 1930 namen de gemeente en de AKU elk f. 70.000, - voor hun rekening. Met ingang van de jaren 1929 en 1930 kwamen de tekorten op de exploitatie, indien niet door het Rijk gedragen, tot een maximum van f. 20.000, - per jaar, voor de helft ten laste van de gemeente en voor de helft ten laste van de AKU.

Bij kritiek van de raadsleden op de kunstzijdefabriek trad de burgemeester regelmatig op als verdediger van de onderneming. Hij probeerde alle klachten over de ENKA te weerleggen met verwijzing naar het raadsbesluit van 2 september 1919.  

Bezwaren tegen de zondagsarbeid

Tijdens de raadsvergadering van 8 augustus 1924 diende het raadslid De Klein (SDAP) een motie in tegen de invoering van de volcontinudienst door de ENKA. Hij vroeg aandacht van raad voor het aanstootgevende gedrag van arbeiders die op zondag met een broodtrommel achterop hun fiets tussen de kerkgangers naar hun werk fietsten. De motie van De Klein werd aangenomen. In de vergadering van 30 september 1924 kwam deze kwestie opnieuw aan de orde. De raad stemde in met een verzoek van de Edesche Bestuurdersbond  aan het Ministerie van Arbeid. In dit schrijven werd een herziening gevraagd van het werktijdenbesluit, waarbij zondagsarbeid was toegestaan. De raad verzocht om de verleende vergunning voor de volcontinudienst per 1 oktober 1924 in te trekken met als argument dat de invoering van zondagsarbeid grote ontstemming en verbittering had gewekt zowel bij de betrokken arbeiders, als bij een groot deel van de bevolking van Ede. Het raadsvoorstel werd met tien tegen vijf stemmen aangenomen. Over de zondagsarbeid bij de ENKA in Ede werden zelfs kamervragen gesteld. Uiteindelijk hadden de moties geen effect omdat bleek dat zondagsarbeid volgens de wet was toegestaan.

Stankoverlast

Meer dan een jaar na het begin van de productie, op 1 januari 1922, kreeg de ENKA, na een aantal beroepsprocedures, op 21 maart 1923 een hinderwetvergunning. Dat de inwoners van Ede niet gewend waren aan stank van fabrieken blijkt uit de klachten die vooral in de beginperiode met grote regelmaat in de gemeenteraad werden besproken. In de loop van de jaren twintig protesteerden voornamelijk inwoners van Bennekom en Wageningen tegen stankoverlast.  Dit is waarschijnlijk een gevolg van de windrichting. Bij noordenwind hadden vooral bewoners van Bennekom en Wageningen last van stank. In de jaren twintig waren er voor Ede-dorp minder problemen omdat die delen van het dorp waar zich bij zuidenwind stankproblemen konden voordoen, nog grotendeels onbebouwd waren. Ondanks deze gunstige ligging was er in 1928 een anti-stankactie van de V.V.V. die aangaf hoe hinderlijk de stank voor de inwoners van Ede was. Vanaf 1932 kwamen de klachten van ‘Het Herstellingsoord voor Rijksambtenaren’ dat in 1922 naast het fabrieksterrein was gebouwd.  

Niet minder groot was het probleem van de afvoer van vervuild slib en ander fabrieksafval. In 1923 beschikte de gemeente afwijzend op een aanvraag voor de bouw van een vuilverbrandingsoven achter de fabriek. In de gemeenteraad werd herhaaldelijk geprotesteerd tegen de vuilstort van de ENKA op een terrein aan de Verlengde Maanderweg. Uiteindelijk werd de vuilstort verplaatst naar de Op ten Noortlaan die parallel aan de spoorlijn lag. Na een bespreking met de ENKA ging op 23 mei 1929 een brief uit van B&W waarbij geen bezwaar werd gemaakt tegen de vuilstort. In 1930 voerden omwonenden een proces omdat deze stort een ondraaglijke stank verspreidde. Door de inrichting van een terrein in het Honslog (tussen Wekerom en Ede), zou een eind komen aan de ellende van de vuilstort. De AKU was het niet eens met de nieuwe locatie omdat de afstand vanaf de fabriek te groot was. Het bedrijf bleef tot na de Tweede Wereldoorlog gebruik maken van het terrein aan de Op ten Noortlaan.  

Maatregelen tegen de stankoverlast

In 1923 bouwde de ENKA een inrichting voor afvalwaterzuivering op een terrein achter de fabriek, (een aantal grotere en kleine bassins en een vloeiveld). Voor zuivering van het eigen huishoudelijk- en bedrijfsafvalwater bouwde de fabriek in 1928 één van de meest moderne installaties van Europa. De tweede schoorsteen bestemd voor de afvoer van spingassen was bovendien bedoeld om het stankprobleem op te lossen. De schoorsteen loosde zwavelverbindingen in de lucht en was de grootste veroorzaker van de stank. Ondanks alle maatregelen om de stankoverlast te beperken, slaagde de ENKA/AKU er in de onderzochte periode niet in een oplossing voor het probleem te vinden.

Een andere kwestie was de afvoer van het spoelwater van de fabriek. Dit water werd niet gezuiverd in de nieuwe installatie, maar in de bassins op het fabrieksterrein. Voor de afvoer van het spoelwater hadden de spoorwegen een vergunning verstrekt voor lozing via de zuidelijke spoorsloot. Het polderbestuur ‘Maanen’ en ‘Veldhuizen’ verleende 30 april 1920 een vergunning voor lozing via de buitenpolder. Tegen deze vergunning protesteerde de Exonerende Landen in Wageningen. Ondanks protesten werd de vergunning elke 5 jaar door het polderbestuur verlengd. In 1921 was de directie van de ENKA er nog van overtuigd dat zij het probleem van het afvalwater kon oplossen zonder dat zuivering nodig was. Dit bleek echter een utopie. Het warme water (30 graden) bleef een stinkende damp veroorzaken.

Het Rijksinstituut voor Zuivering Afvalwater deed in augustus 1922, in opdracht van de ENKA een veldonderzoek bij 26 boeren in de Maanderbuurt. De boeren waren goed te spreken: hun vee dronk het water zonder problemen, de planten langs de sloot groeiden goed en soms spoelde een boerin haar was in de sloot. Tijdens de raadsvergadering van 10 augustus 1928, antwoordde burgemeester Creutz aan de SDAP raadsleden Poppe en De Klein: “Na proeven van het Ministerie van Volksgezondheid is gebleken dat het slootwater vrij is van zwavelkoolstof en zuurstof.” De burgemeester meende dat zonder het afvalwater van de ENKA de doorstroming in de sloot minder gunstig zou zijn. De stankproblemen werden in de onderzochte periode niet opgelost. Klachten over verlaging van het grondwater als gevolg van het onttrekken van grote hoeveelheden water aan de bodem, bleken ongegrond.

Reacties van de inwoners van Ede op de komst van de fabriek

In  de notulen van de kerkenraad van de Nederlands Hervormde Kerk  werden in de onderzochte periode geen toespelingen gevonden op de komst en de aanwezigheid van de ENKA in Ede. Wel werd in deze jaren de dooppraktijk in de Hervormde Kerk herzien. Trouwe kerkgangers werden direct toegelaten tot de doop, minder trouwe lieden moesten wachten op de beslissing van de kerkenraad. Aan mensen die nooit in de kerk kwamen werd de doop geweigerd. De hervormde predikant Japchen, die vanaf 1923 in Ede stond, trok in zijn preken fel van leer tegen de invloed van de moderne tijd. Sport, toneel en vrouwen met kort haar en lichte kousen waren voor hem uitingen van verderf. Als verklaring voor deze nieuwe koers noemen zowel Van de Bank als Nijenhuis de komst naar Ede van bewoners met moderne ideeën. In de onderzochte periode werd door leden van de gemeenteraad, die zitting hadden in de kerkenraad, herhaaldelijk geprotesteerd tegen de handelwijze van de fabriek. Vooral de invoering van de continudienst en het sporten op zondag door de fabrieksverenigingen was deze raadsleden een doorn in het oog.

In een artikel in ‘De Spindop’ schreef Jhr. Van den Bosch dat de houding van de bewoners van Ede tegenover de fabriek niet altijd sympathiek was. Zo memoreerde Van den Bosch dat een autoriteit van het polderbestuur hem toebeet dat hij zoveel hem mogelijk zou tegenwerken in de hoop dat de fabriek er niet zou komen. Als deelnemer aan een polemiek in de plaatselijke pers in 1920 bracht Van den Bosch naar voren dat de bouw van woningen zou worden gedekt door de inkomsten- en tantièmebelasting. Bovendien lag het inkomen van de employee’s die zich in Ede vestigden, hoger dan van de andere belastingbetalers. Landarbeiders die een nieuwe werkkring in de fabriek vonden, waren tevreden omdat zij ook in de winter vast werk hadden. Zo bedankte een vader van een jonge werkloze burgemeester Creutz schriftelijk voor de komst van de kunstzijdefabriek. Eind jaren dertig was de bevolking van Ede verzoend met de aanwezigheid van de fabriek. Ter gelegenheid van het 25-jarige bestaan van de ENKA werd in 1938 aan de grootste werkgever in de gemeente een monumentale bank aangeboden.

Positieve en negatieve berichten in de kranten

In Edes Nieuws- en advertentieblad van 20 juni 1920 stond een beschrijving van de bouw van de kunstzijdefabriek. Aan het eind van het artikel was een lofzang opgenomen op het grote bouwwerk “dat in zijn buitengewone omvang van grote betekenis zou zijn voor de krachtige ontplooiing van de Nederlandse industrie”. Een voorbeeld van angst voor vreemdelingen is een artikel in de rubriek ‘Wekelijkse Wandelingen’ in Edes Nieuwsblad. Hierin schreef de vaste columnist: “Erger wordt het als het door deze politiek is dat door de goedkeuring van een voorschot aan ‘Vooruit’ vreemdelingen worden gelokt die zich vestigen zonder aan de gemeentelijke belastingen bij te dragen ervan uitgaande dat zij toeslag op hun huishuur ontvangen”. R. Feenstra schreef in ‘De Telegraaf’ in 1925 een positief artikel over “Het Nederlandse Lyon”. De columnist van de Edese Courant schreef in 1929 een stukje over stank. In zijn artikel memoreerde hij de geschiedenis van de ‘enkastank’ en beschreef de protesten die tot een grote verbetering leidden. Hij is van mening dat: “Hoewel de stank niet geheel is weggenomen, de ingezetenen wel iets over mogen hebben voor de grote voordelen die deze industrie met zich meebrengt.” Op 17 oktober 1931was in het Edes Nieuws- en Advertentieblad een negatief artikel opgenomen over de leegstand bij ‘Vooruit’.  

De werknemers van de kunstzijdefabriek

Rekrutering van de werknemers

Voor het werk in de nieuwe fabriek werden ongeschoolde arbeiders uit de directe omgeving aangetrokken.Vaklieden en toezichthouders waren in Ede zo schaars, dat de ENKA ze rekruteerde via arbeidsbeurzen en advertenties. Vrouwen en meisjes voor het productiewerk kwamen via werfagenten naar Ede. Bovendien werd al snel in heel Nederland bekend dat in Ede een grote fabriek werd gebouwd waar veel arbeidskrachten nodig waren. Dit geruchtencircuit lokte sollicitanten uit alle delen van het land naar Ede.

De ENKA deed bij gemeenten van herkomst navraag naar de antecedenten van de vakarbeiders en het toezichthoudende personeel. Tot 1928 werden de vrouwelijke werkneemsters gescreend door inspectrices van de fabriek. Zij bezochten de ouders van de sollicitantes en informeerden in café’s naar het gedrag van de bezoeksters.  Het onderzoek was niet bedoeld als test voor het werk in de fabriek. De ENKA wilde ouders ervan overtuigen dat hun dochters met ‘nette’ meisjes samenwerkten en moest bovendien rekening houden met de publieke opinie in Ede. Ondanks alle inspanningen bleef de ENKA kampen met een tekort aan vrouwelijke arbeidskrachten. Een poging om gezinnen met veel dochters naar Ede te halen had evenmin succes.  Midden jaren twintig werd er toe overgegaan om meisjes tussen 15 en 19 jaar als groep te rekruteren. De eerste meisjes waren afkomstig uit Drente en woonden zonder veel toezicht in het ‘Parkhotel’. Er ontstonden problemen met aan de noordkant van het station gelegerde militairen met het gevolg dat de ENKA dit experiment staakte. Hierna kwam een groep van vierenveertig Rooms Katholieke meisjes uit Limburg. Ook zij werden in het Parkhotel ondergebracht waar zij onder toezicht kwamen te staan van de Zusters van de Heilige Jozef uit Amersfoort. Omdat ook deze proef mislukte, werden er meisjes uit Duitsland gehaald. Blijkbaar hadden zij minder moeite met het strenge regime, zij bleven tot het internaat in 1932 werd opgeheven.   Hoewel de internaatmeisjes maar een klein deel van het totale aantal vrouwelijke werkneemsters vormden, was de ENKA kennelijk bereid dit meisjespension zo lang mogelijk in stand te houden.

In de loop van de jaren twintig was de ENKA genoodzaakt meisjes uit dorpen en steden tot op grote afstand van de fabriek te rekruteren. Met bussen van de EVA  werden ze dagelijks vanuit 120 bestemmingen naar Ede gebracht. Elke dag kwam ook nog een groot aantal meisjes per spoor met de zogenaamde ‘meisjestreinen’. Ondanks alle maatregelen bleef er een groot gebrek aan vrouwelijke werkneemsters. In Ede waren in 1928 in totaal 3200   werkneemsters werkzaam, waarvan er 2800 van buiten het dorp kwamen. Het tekort was structureel omdat in deze periode het verloop onder de meisjes groot was. Elke maandag stonden 200 sollicitantes aan de poort. De meisjes werden na een korte sollicitatieprocedure gekeurd en aangenomen.

De huisvesting van de werknemers van de fabriek

In de eerste helft van de twintigste eeuw was huisvesting van fabrieksarbeiders in de nabijheid van de fabrieken voor de werkgevers van groot belang. Lange reistijden kwamen de arbeidsproductiviteit niet ten goede en bovendien was sociale controle eenvoudiger als werknemers in de directe omgeving van de fabriek woonden.

Los van de oprichting van de woningbouwvereniging ‘Vooruit’, regelde Hartogs persoonlijk de huisvesting voor de werknemers van de nieuwe fabriek. Om in de behoefte aan woningen voor het hogere kader te voorzien, kocht Hartogs  middenstandswoningen aan de Berkenlaan, enkele villa’s in het ‘Park Maanen’, villa’s aan de Stationsweg, één villa aan de Reehorsterweg en twee villa’s aan de Bennekomseweg. Voor het middenkader bouwde de ENKA woningen langs de Parallelweg. Met de aankoop van het Parkhotel in 1920 kreeg  Hartogs de beschikking over kantoorruimte en twintig kamers. Hier werd tijdens de bouw van de fabriek een deel van de bouwarbeiders gehuisvest. In dezelfde periode kocht Hartogs zesendertig arbeiderswoningen aan de 1e en 2e Parkdwarsweg. Deze woningen hadden geen waterleiding, terwijl het toilet en een wasruimte buiten de woningen waren geplaatst. In 1921 had Hartogs op een veiling het jachthuis de ‘Reehorst’ gekocht waar ENKA-medewerkers tijdelijk onderdak vonden. De Raad van Commissarissen verleende Hartogs in 1926 machtiging om de woningen aan de 1e en 2e Parkdwarsweg te renoveren alvorens ze te verkopen. Uiteindelijk werden de woningen na de renovatie nooit verkocht.

NB22.h12Woningen aan de Parallelweg/Dr. Hartogsweg, Bron: 25 jaar Marnixcollege in Ede.

Door de komst van de ENKA en de oprichting van ‘Vooruit’ (299 woningen), werd het woningareaal van het dorp flink uitgebreid. In 1925 waren ongeveer 360 woningen direct of indirect in het bezit van de ENKA dit was 20,15% van de woningvoorraad in Ede op dat moment.

Inwoners van Ede in relatie met de woningvoorraad in het dorp.

  jaren voor 1906 1906/1914 1915/1919 1919/1925 1925/1930 1930/1947
  Inwoners van Ede 4023 6140 7595 10234 12874 19369
  woningvoorraad Ede 504 830 928 1736 2329 3428
  inwoners per woning 8 7,4 8,2 5,9 5,5 5,7
  woningvoorraad Ede-Zuid 33 112 118 464 533 648
  woningvoorraad Ede-Zuid  1,50% 7,40% 7,90% 3,75% 4,40% 5,30%
  in procenten van Ede            

Een overzicht van de woningvoorraad en de inwoners van Ede  1906/1947.

De bouw van het tuindorp ‘Vooruit’

Aan het begin van de 20e eeuw waren tuindorpen in Europa populair als alternatief voor de overvolle arbeiderswijken die in de 19e eeuw in de steden waren gebouwd. De tuinstad was een idee van Ebenezer Howard die de voordelen van de stad en het platteland probeerde samen te voegen tot een nieuw stadstype. Zijn tuinsteden waren omgeven door groen met culturele en sociale voorzieningen in de nabijheid van de woningen. De woningen werden op korte afstand van de werkgelegenheid gebouwd.

Dat de nieuwe arbeiderswijk voor het toekomstige ENKA-personeel in Ede-Zuid het karakter van een tuindorp moest krijgen, was door Van Hunnik in de raad bedongen. Hij wilde met de bouw van een tuindorp voorkomen dat in Ede een situatie zou ontstaan als in Veenendaal waar fabrikanten arbeiderswoningen van zeer slechte kwaliteit hadden gebouwd. De burgemeester van Ede en Hartogs waren overeengekomen dat de woningen in het tuindorp zouden worden gebouwd voor de werknemers van de kunstzijdefabriek.

De opdracht voor het ontwerp van het tuindorp ging naar het architectenbureau Eschauzier en Van der Burgh. Jhr. J.M. Van den Bosch, die de leiding had over de bouw van de kunstzijdefabriek, kreeg ook de supervisie over dit project. De bouw werd in twee fasen uitgevoerd. In de eerste periode werden 159 woningen aan de oostzijde van de Kerkweg gebouwd. In de tweede bouwfase werden de resterende 140 woningen ten westen van de Kerkweg gerealiseerd. De woningen in het eerste complex hadden een gevarieerde architectuur met gesloten, verspringende gevelwanden, poortjes over de stoep en een hofje op de helft van de Poortlaan. Het Poortplein was de centrale ruimte van het hele complex. Alle woningen hadden op de begane grond een woonkamer en een klein vertrek als ‘mooie’ kamer. Op de bovenverdieping waren drie of vier slaapkamers. In de ruime tuinen achter de woningen konden de bewoners een moestuin aanleggen. Op deze manier werd het inkomen aangevuld en had men de mogelijkheid om afleiding te zoeken na de vaak monotone fabrieksarbeid.

In 1920 sprak het bestuur van ‘Vooruit’ met aannemer W. Geel over noodzakelijke bezuinigingen op de bouw. Volgens de inspecteur generaal van Volksgezondheid ir. A.M. Kuijsten,  zou het Rijk medewerking verlenen aan de bezuinigingen. Ook de gemeente gaf, in het kader van de bezuinigingen, ontheffing van de bouwverordening. Besloten werd dat de woningen zouden worden gebouwd met halfsteense muren terwijl de deuren en de ramen niet werden geverfd maar gebeitst. Verder werden van de zes winkels uit het oorspronkelijke plan er maar twee, aan het Poortplein gerealiseerd, volgens de raad: “omdat er toch al met de bouw ervan was begonnen”. Om het uiterlijk van de nieuwe woonwijk te verfraaien schonk Hartogs namens de ENKA f. 2000, - voor de aanplant van bomen.

Tijdens de raadsvergadering van 18 december 1922, waarbij de aanvraag voor het voorschot van het tweede complex werd besproken, gaf Van Hunnik opnieuw te kennen dat hij een soort tuindorp verlangde en geen “rijen van woningen” zoals in het eerste complex werden gebouwd. Hoewel het eerste complex al een tuindorp was, vond Van Hunnik dat het geheel een te stedelijke uitstraling had. Hij kreeg bijval uit de raad die ontevreden was over de gesloten gevelwanden, die niet pasten in het dorpsbeeld. Na deze kritiek werd het ontwerp van het tweede complex aangepast. Dit deel van het tuindorp kreeg een open bebouwing in woonblokjes van twee of drie. De woningen werden opgeleverd zonder kasten en schuurtjes.Ondanks protest van Hartogs, kwam er geen behang op de muren en bleven de vloerbalken onbewerkt. Zoals blijkt uit de notulen van ‘Vooruit’ waren er al snel veel klachten over het onderhoud van de huizen.

Een deel van de woningen had een nat closet. Huishoudwater en fecaliën werden afgevoerd naar zink- en beerputten. De eerste vijftien jaren na de oplevering waren de wegen in het tuindorp nog steeds niet bestraat, maar bedekt met sintels. Dit had tot gevolg dat er bij hevige regenval modderpoelen ontstonden. Aan het eind van de jaren dertig werd in het eerste complex riolering aangelegd.

De huren van de woningen varieerden van f. 5,75 tot f. 8, - per week. Herhaaldelijk waren er protesten in de gemeenteraad tegen de hoogte van de huren in het tuindorp. Begin jaren dertig stelde het bestuur van ‘Vooruit’ een onderzoek in naar de huren van woningbouw-verenigingen in Ede en omgeving. Hoewel er geen grote verschillen werden aangetoond, besloot ‘Vooruit’ de huren te verlagen. Met deze maatregel hoopte  men de leegstand te beperken. In de winst- en verliesrekening van ‘Vooruit’ uit 1937 stond als reden voor de slechte kwaliteit van de huizen: “Het complex werd gebouwd in de allerduurste tijd, waardoor op de bouwkosten wel moest worden bezuinigd”.

De bewoners van het tuindorp

Kort na de oplevering van de woningen bleek, dat bij werknemers van de ENKA de animo voor een woning in het tuindorp minder groot was dan verwacht. Van 1921 – 1924 woonden er vooral vakarbeiders. In de volgende jaren verhuisden de vakarbeiders naar een woning in Ede-dorp en omgeving en werd hun plaats ingenomen door ongeschoolde arbeiders. Tot 1925 kwamen vrijgezellen en gezinnen zonder kinderen niet voor een woning in aanmerking.  De woningen aan de Blokkenweg en de Parkweg, bestemd voor het middenkader, waren niet in trek. Van den Bosch meende dat zij vooringenomen waren geweest tegen de ‘Bouw’.

Screenen van de bewoners van het tuindorp

Toekomstige bewoners werden gescreend door het hoofdkantoor van de ENKA in Arnhem. Was een aanvrager ‘te lui om te werken’, had hij een strafblad, een drankprobleem, of een slordig’huishouden, dan kwam hij niet voor een woning in aanmerking. Eén jaar na de oplevering van de eerste woningen vroeg de gemeente aan ‘Vooruit’ om, “in verband met de heersende woningnood ook aan niet-ENKA-personeel woningen te verhuren”.  Hartogs ging akkoord met dit verzoek onder voorwaarde dat aan nette huurders werd verhuurd. Hij adviseerde om de goedkopere woningen aan de ‘eigen mensen’, toe te wijzen. Reservering van leegstand voor de ENKA vond hij ongewenst. Op een verzoek van de gemeente Ede om inlichtingen over de afwijzing van een nieuwe huurder was de reactie van ‘Vooruit: “Elke woningaanvrage wordt met de meeste zorg onderzocht of deze wat betreft: huurbetaling, bewoning of invloed op de verdere bevolking ongewenst is. Aan hen die hieraan niet kunnen voldoen, verhuren wij geen woning.” De zoon van raadslid De Klein (SDAP) kreeg een woning omdat hij: “geen politieke neigingen” had. Op verzoeken van de gemeente om voor armlastige inwoners een woning beschikbaar te stellen, werd door ‘Vooruit’ afwijzend gereageerd. In de jaren dertig, toen de leegstand zorgwekkende vormen had aangenomen, werden aanvragen voor een woning, toch bij herhaling afgewezen. Een verzoek van de gemeente Utrecht om 16 woningen beschikbaar te stellen voor sigarenmakers, werd afgewezen omdat men ongunstige elementen in ‘de Bouw’ wilde vermijden. In dezelfde periode verhuurde ’Vooruit’ aan de A.J.C. een woning omdat: “A. Roseboom de secretaris van deze organisatie bestuurslid was van de Ziekenkas Ede en gunstig bekend stond”. Ook aan de meisjespadvindsters werd een woning verhuurd als vergaderruimte.  Van 1 maart 1937 tot 11 april 1938 was aan het Poortplein een woning beschikbaar voor bewoners aangewezen door het gemeentelijke armbestuur.

Herkomst van de bewoners van ‘Vooruit’

Van 1919 tot 1939 hebben in de woningen in het tuindorp 960 gezinnen gewoond. Een aantal bewoners hield kostgangers, al dan niet met toestemming van de ENKA. Aan de hand van de namen van de hoofdbewoners, uit waarborgboeken van ‘Vooruit’, die werden vergeleken met het gemeentelijke persoonskaartenarchief, konden herkomst en levensovertuiging worden vastgesteld. Het persoonskaarten archief van de gemeente Ede is een reconstructie van het oorspronkelijke archief dat in 1942 door brand werd verwoest. In het onderzoek kon 94,4% van de bewoners van ‘Vooruit’ getraceerd worden. Om te voorkomen dat door de rationalisatie van het productieproces een vertekend beeld ontstaat, is 1930 als cesuur genomen.

Herkomst bewoners van ‘Vooruit’ ENKA/AKU en particulier

image006image004

image010image008

Opvallend is het relatief grote aantal gezinnen van ENKA-werknemers uit Arnhem, Wageningen en Renkum. In de gemeenten Renkum en Wageningen waren in de onderzochte periode weinig arbeiderswoningen beschikbaar. Werknemers uit Arnhem hadden wellicht ervaring opgedaan in de Arnhemse kunstzijdefabriek.

 

Levensovertuiging Gemeente Ede 1909/1947

image018

Verklaring tekens: div. diversen, ger. Gereformeerd, nh. Nederlands Hervormd, rk Rooms Katholiek, bk. buitenkerkelijk.                                           

Levensovertuiging van de bewoners van ‘Vooruit’ 

image022image020

image024image026           

Verklaring tekens: div. diversen, ger. Gereformeerd, nh. Nederlands Hervormd, rk Rooms Katholiek, bk.

Buiten kerkelijk.    

Vergeleken met de overzichten van de gemeente Ede van 1909/1947, was het aantal rooms katholieke en buitenkerkelijke bewoners in het tuindorp hoog. Nederlands Hervormde gezinnen die afkomstig waren van buiten Ede vonden de Hervormde kerk in Ede streng. Hoewel zij over het algemeen ingeschreven bleven als lid, bezochten zij de kerk alleen bij doop en trouw, in een aantal gevallen werden zij lid van een ander kerkgenootschap.

Het verloop onder de bewoners van het tuindorp was groot, een deel van de populatie verhuisde binnen vijf jaar nadat zij de woning had betrokken. In de onderzochte periode verhuisden ook relatief veel gezinnen binnen het tuindorp.

Gedurende de jaren twintig was er veel animo voor de woningen. Vanaf 1929 veranderde deze situatie. Als gevolg van de economische crisis en de rationalisatie van het productieproces vielen er ontslagen bij de ENKA. Een deel van de bewoners van het tuindorp vertrok uit Ede, een andere categorie bewoners droomde van een vrijstaand huisje met een stukje grond. Op het moment dat, begin jaren dertig, in Ede-Dorp nieuwe wijkjes werden gebouwd, verhuisden zij van het tuindorp naar een nieuwe woning dichterbij het oude centrum van het dorp. In deze periode was de leegstand soms 30%. Aan het eind van de jaren dertig waren alle woningen in het tuindorp weer verhuurd. Uit onderstaande grafieken blijkt dat bewoners die in beide periodes uit het tuindorp vertrokken veelal naar Ede of Bennekom verhuisden.

Een overzicht van het percentage verhuizingen van 1922-1939

image031 78251102image033 68781101image027 94361059image029 86031100    

     

Door de verhuizingen binnen Ede mengden de nieuwkomers zich met de oorspronkelijke bevolking van het dorp. Of zich hierbij problemen hebben voorgedaan blijkt niet uit politierapporten en de berichten in de plaatselijke pers.

In zijn proefschrift uit 1938 constateerde Van Eck dat de ‘fabrieksgeest’ in het tuindorp oorzaak was van de uittocht van bewoners. Men wilde in zijn vrije tijd niet aan de fabriek herinnerd worden. Verder kwamen de halfsteense muren waaruit de woningen waren opgetrokken het leefklimaat niet ten goede. Hoewel dit waarschijnlijk goede redenen waren voor een verhuizing, is de ‘slechte’ naam die Ede-Zuid tot ver na de Tweede Wereldoorlog bij veel inwoners van Ede-Dorp had wellicht de hoofdoorzaak van vertrek.

Disciplinering van de bewoners van ‘Vooruit’

Vanaf het moment dat de bewoners van het tuindorp hun nieuwe woningen betrokken, waren zij verplicht controle van een inspectrice te accepteren. De inspectrice werd door de ENKA benoemd en controleerde of de woningen ‘netjes’ werden bewoond. In de jaren twintig en dertig was mejuffrouw Meijerink inspectrice en aanwezig bij de bestuursvergaderingen van ‘Vooruit’. Werd een woning niet volgens de regels bewoond, dan kreeg de bewoner een waarschuwing. Na herhaalde waarschuwingen kon een huurder uit zijn huis worden gezet. Op het moment dat er grote huurachterstanden waren van huurders die niet bij de ENKA werkten, controleerde mejuffrouw Meijerink of deze bewoners al dan niet werkloos waren. Huurachterstanden van ENKA-medewerkers werden met het loon verrekend. Voor huurders die een beroep deden op de gemeentelijke armenzorg, zorgde de gemeente gedurende dertien weken voor aanvulling van de huur. In 1938 werd deze gemeentelijke aanvulling beëindigd omdat de nieuwe burgemeester weigerde garantieverklaringen af te geven voor kandidaat huurders.

Uit gesprekken die ik met vroegere bewoners heb gevoerd, kreeg ik de indruk dat zij de controles van hun woningen niet als hinderlijk hebben ervaren. Eén van de dames vond het zelfs een eer wanneer juffrouw Meijerink geen aanmerkingen maakte op haar huishouding.

Om de brandveiligheid te vergroten beschikte het tuindorp tussen 1926 en 1930 over een eigen vrijwillige brandweer. Bij kleine branden ( schoorsteenbranden kwamen vaak voor) verleende deze eenheid als eerste assistentie. Bij grotere calamiteiten werd zij bijgestaan door brandweerkorpsen van de ENKA en de gemeente. Het benodigde materiaal was door de ENKA ter beschikking gesteld. Als gevolg van de leegstand van de woningen, werd de brandweer in 1931 opgeheven.

Hoewel er in de gemeenteraad herhaaldelijk werd gesproken over vernielingen in het tuindorp, waren in de locale pers en in de politierapporten, de meldingen van vandalisme in het tuindorp en in Ede-Dorp nagenoeg gelijk. Op verzoek van woningbouwvereniging ‘Vooruit’ onderzocht hoofdagent Van den Brink, de wijkagent van Ede-Zuid, in 1930 vernielingen door jongeren in een woning van ‘Vooruit’. Hij bracht rapport uit aan de woningbouwvereniging, die de ouders van de vandalen in dop aansprakelijk stelde. De ouders betaalden schadevergoeding en hiermee was de zaak gesloten.

In zijn onderzoek uit 1938 constateerde Van Eck dat het ontwikkelingspeil van de populatie van het tuindorp niet hoog was. Hij constateerde dat de gezinnen individueel waren ingesteld, maar “wanneer de gewoonten van een gezin niet overeenkwamen met het geijkte patroon, was er ruzie.”

enka5Het hofje in het eerste complex anno 2007

Volgens Van Eck namen bewoners die afkomstig waren van het platteland de stedelijke gebruiken van hun buren over. Zij richtten hun huizen mooi in en hun kinderen droegen schoenen en betere kleding dan voorheen. De kinderen van vakarbeiders en toezichthouders gingen naar de ULO of naar de ambachtsschool. Ondanks het onderlinge verschil in herkomst en levensovertuiging waren veel bewoners van het tuindorp lid van de ontspannings-verenigingen die op initiatief van de ENKA werden opgericht.

Disciplinering en sociale zorg voor de werknemers van de ENKA

Om beschadiging van de kunstzijde te voorkomen waren orde en netheid in de kunstzijdefabriek van groot belang. De werkruimten in de fabriek werden zorgvuldig schoongehouden en de vrouwelijke werkneemsters waren verplicht om witte jurken te dragen. Om beschadiging van de fijne garens te voorkomen, werden de nagels van de meisjes één keer per veertien dagen door een pedicure behandeld.

Het regime in de fabriek was streng. Tijdens het werk mochten werknemers niet met elkaar praten, gesprekken over politiek en de vakbeweging waren verboden, wie de regels overtrad kreeg boete. Bezoek aan het toilet kostte één cent, voor de schafttijd waren precies 20 minuten uitgetrokken en kwam een werknemer te laat, dan betaalde hij of zij een kwartje. De boetekas kwam ten goede aan een ondersteuningsfonds voor zieke werknemers. In de bussen en de treinen die de werkneemsters van en naar de fabriek brachten, had elk meisje een genummerde vaste plaats.           

Hartogs verwachtte van zijn personeel honderd procent inzet. Hij controleerde alles, er mocht niets gebeuren zonder zijn toestemming. Met de voorgedrukte formulieren die voor alle aan- en verkopen (en voor de verenigingsactiviteiten) moesten worden ingevuld, hield hij de gang van zaken in het oog.

Door de introductie van verschillende werktijden voor mannen en vrouwen, probeerde Hartogs onderling contact tussen de werknemers van de fabriek te voorkomen. Dat deze actie mislukte, blijkt uit het feit dat, in de onderzochte periode, tussen de werknemers van de ENKA een flink aantal huwelijken werd gesloten. Zelfs enkele meisjes uit het internaat in het ‘Parkhotel’ trouwden met hun collega’s van de fabriek of met inwoners van Ede die niet bij de ENKA werkten.

Alle bovenomschreven maatregelen dienden een drieledig doel. Enerzijds probeerde de bedrijfsleiding door een efficiënte bedrijfsvoering een goede naam als werkgever op te bouwen, anderzijds werden er maatregelen getroffen die kenmerkend waren voor het beschavingsoffensief dat gericht was op de zedelijke verheffing van de mindere standen, last but not least, probeerde de directie de productie zo hoog mogelijk te houden.

Sociale zorg

De zusters van St. Barbara zwaaiden in het Parkhotel de scepter over de fabrieksmeisjes. Met de directie van de ENKA was afgesproken dat de meisjes, hoewel zij kostgeld betaalden, verplicht waren om mee te helpen in de huishouding. Volgens de ENKA directie was het belangrijk dat de huishoudelijke capaciteiten van haar fabrieksmeisjes zo werden ontwikkeld dat een goede opvoeding gewaarborgd was. Zelfs in hun schaarse vrije tijd werden deze meisjes streng bewaakt.

Om de vrouwelijke werknemers huishoudelijke vaardigheden bij te brengen, werden eind jaren twintig in dorpen rond Nijmegen en in de Betuwe lessen in kostuumnaaien gegeven.Voor meisjes die een cursus trouw bezochten, droeg de ENKA bij in de kosten. Er was de directie van de ENKA veel aan gelegen om de vooroordelen tegen fabrieksmeisjes die bij veel inwoners van Ede leefden, te weerleggen.

In de jaren twintig was de ENKA één van de weinige fabrieken waar een meisje dat ongehuwd zwanger werd, mocht blijven werken tot zeven maanden voor de bevalling. Een meisje mocht, als ze ongehuwd bleef, op het moment dat haar baby twee maanden oud was, haar werkplek weer innemen. Volgens een ex-werkneemster was dit bijzonder sociaal. Bij geen enkele, haar bekende fabriek werd zo goed voor een ongehuwde moeder gezorgd.  

In 1917 stelde Hartogs aan de Raad van Commissarissen voor om een pensioenfonds op te richten. Hoewel het voorstel in principe werd goedgekeurd, liet de instelling van een pensioenfonds tot mei 1929 op zich wachten. In dat jaar werd op last van Hartogs door de ENKA een bedrag van f. 600.000, - uit haar vermogen afgezonderd voor de stichting van een ‘ENKA pensioenfonds’. Tot 1929 regelde de directie de zorg voor weduwen, wezen en pensioengerechtigden. Voor werknemers die door een ongeval tijdelijk arbeidsongeschikt waren, vulde de ENKA het loon aan tot 100%.

Van de werknemers van de ENKA werd verwacht dat ze hun dochters naar de fabriek stuurden. Bovendien waren zij verplicht om de geboorte van een kind bij de burgerlijke stand en op het kantoor van de fabriek aan te geven. Kinderen die op de verjaardag van Hartogs werden geboren kregen de studiekosten na het lager onderwijs vergoed.

In de jaren twintig werd veel gedaan aan zorg voor het personeel en maatregelen die de band met de onderneming bevorderden. Op initiatief van Hartogs werden in Arnhem en Ede fabrieksverenigingen opgericht waarvoor hij royaal subsidie verstrekte. Hartogs, die zelf kinderloos was, had een zwak voor de kinderen van zijn werknemers. In de jaren twintig werden in de ‘Reehorst’ geweldige sinterklaasfeesten voor de kinderen van het personeel gevierd.

De gezondheidszorg bij de ENKA

In de eerste jaren na de oprichting van de ENKA waren er in Arnhem problemen met chemische stoffen en zwavelverbindingen. Korte tijd na de opening van de fabriek in Arnhem werd onder leiding van een huisarts een medische dienst opgezet.

Tijdens de raadsvergadering van 8 augustus1924, stelde De Klein, (SDAP) in een motie tegen de zondagsarbeid dat de atmosfeer in de fabriek in Ede zeer te wensen overliet. Er zou sprake zijn van zenuwinzinkingen bij jonge meisjes die moesten werken in een vergiftigde atmosfeer.

In Ede waren de arbeidsomstandigheden in een aantal afdelingen inderdaad niet goed. Hoewel de werknemers beschermende kleding droegen, was de lucht ongezond. De open, met loog gevulde bakken waarin de cellulose werd gedrenkt, waren gevaarlijk. Gassen die vrijkwamen uit de open spinmachines, veroorzaakten oogproblemen bij de spinners.  Door het afdichten van de spinmachines en het plaatsen van afzuiginstallaties werd het probleem van de ‘spinogen’ voor een deel opgelost.

Stan Poppe, in de jaren twintig belastingontvanger in Ede, herinnerde zich dat munten die afkomstig waren van de arbeiders van de ENKA zwart in plaats van zilverkleurig waren. Hij vroeg zich af of het mogelijk was, dat ook de longen van de arbeiders door de chemische processen waren aangetast. Voor zover bekend is in de onderzochte periode geen onderzoek naar de gezondheid van de werknemers in de kunstzijdefabriek ingesteld.

In 1925 werd dr. Heimans bij de ENKA in Ede aangesteld als bedrijfsarts met het recht een eigen praktijk te mogen voeren. Op dat moment waren slechts enkele bedrijfsartsen in Nederlandse bedrijven werkzaam. Heimans leverde een belangrijke bijdrage aan de verbetering van de arbeidsomstandigheden van de werknemers.Voor het personeel van de fabriek en voor particulieren organiseerde en verzorgde hij EHBO-cursussen.

Niet alleen voor de werknemers van de ENKA zette Heimans zich in, ook de inwoners van Ede hebben veel aan hem te danken. Als één van de initiatiefnemers van het zwembad leverde hij een belangrijke bijdrage aan de lichamelijke opvoeding van de jeugd. Hij had bestuursfuncties bij de Edese Scholenvereniging, en de Maatschappij Tot Nut van het Algemeen in Ede. Mensen met talent, als de zoon van hoofdportier Krebbers, stimuleerde hij om een opleiding aan het conservatorium te volgen. Voor een dochter van een werknemer zorgde hij dat ze het werk kreeg waarvoor ze was opgeleid. Als bedrijfsarts was hij streng maar rechtvaardig. Wie echt ziek was kon op zijn steun rekenen, een ziekte voorwenden deed een werknemer maar één keer.

Omdat door oorlogshandelingen een groot deel van het archiefmateriaal in Arnhem verloren is gegaan, was het niet mogelijke inzicht te krijgen in gezondheidsproblemen die mogelijk veroorzaakt werden door de ongezonde werkomstandigheden bij de ENKA.

Cultuur en ontspanning op initiatief van de ENKA

Het Jachthuis de ‘Reehorst’

In 1885 liet G.W. graaf van Rechteren-Appeltern een villa in Zwitserse stijl bouwen op een terrein van ruim zes hectaren aan de westkant van de Grintweg van Ede naar Bennenkom.    Op het moment dat de ‘Reehorst’ op 8 november 1921 werd geveild stond de villa al jaren leeg. De kavel die bestond uit: “Het Groote huis met Koetshuis, Stalling, Schuur, Erf, Tuin en Park, groot 2 hectaren en 25 aren 40 centiaren en bouwterrein en bos 4 hectaren en 49 aren” werd gekocht door Hartogs en kwam zo in handen van de ENKA.

Een andere bestemming voor de ‘Reehorst’

In eerste instantie werd de ‘Reehorst’ gebruikt als huisvesting voor technici voor de nieuwe kunstzijdefabriek die van buiten de regio waren aangetrokken. Nadat deze werknemers met hun gezin een woning van ‘Vooruit’ konden betrekken, kreeg het gebouw een nieuwe bestemming.

Na een grondige restauratie werd de ‘Reehorst’ in maart 1925 in gebruik genomen als verenigings- en ontspanningsgebouw voor het ENKA-personeel. Op de terreinen achter de ‘Reehorst’ maakten de moestuinen plaats voor een voetbalveld en een atletiekbaan. Een paardenstal deed dienst als kleedruimte.

Het beheer van de ‘Reehorst’ kwam in handen van een commissie bestaande uit drie personeelsleden van de ENKA. Deze commissie regelde de verhuur van de lokalen. Zij stimuleerde bovendien het club- en verenigingsleven voor het personeel en beheerde de subsidies die de directie aan de verenigingen verleende. Verder controleerde de commissie de ENKA- verenigingen op het naleven van de algemene regels. Bij de verenigingen mochten geen leden worden aangenomen die niet bij de ENKA werkten, (met uitzondering van familieleden van de werknemers). In de ‘Algemene bepalingen betreffende de ‘Reehorst’ stond: “Het gebouw met bijbehorende terreinen is beschikbaar ter ontwikkeling en ontspanning van ENKA-personeel”.

Nieuwe en bestaande ENKA-verenigingen maakten enthousiast gebruik van het verenigingsgebouw. Voor personeelsleden van de ENKA werden verschillende cursussen aangeboden.In de toneelzaal werden door de ENKA-verenigingen culturele avonden en uitvoeringen gehouden.

Op 27 april 1925 verleende de gemeente aan de ‘Reehorst’ een vergunning voor het geven van bioscoopvoorstellingen. Voor de ENKA werknemers waren de filmvoorstellingen een belangrijke vorm van vertier. Een strijkje van ENKA-personeelsleden zorgde voor de begeleiding van de ‘stomme’ films. 

Uit de correspondentie blijkt dat het gemeentebestuur ook vergunningen verstrekte voor een bal aan het eind van een feestavond. Eind jaren twintig was een vergunning op zaterdag geldig tot 12 uur. Zo gaf het cabaret Max van Gelder ter gelegenheid van het viscose jubileum in 1927 een voorstelling in de ‘Reehorst’. Voor het bal na de voorstelling was aan de vergunning de mededeling toegevoegd: “in geen geval later dan 12 uur”. Uit deze voorwaarde blijkt dat in de gemeente Ede, aan het einde van de jaren twintig, nog streng de hand werd gehouden aan de zondagsheiliging.

De verschillende ENKA verenigingen maakten regelmatig gebruik van de ‘Reehorst’ voor feestavonden met ‘bal na’.  Aan een feestavond ter herdenking van het tweejarige bestaan van de ‘Reehorst’ in 1927 werkten de volgende verenigingen mee: de ENKA-Harmonie, het ENKA’s Mannenkoor, de Toneelvereniging ENKA, de mandolineclub Çrescendo en de Ren & Toerclub ENKA.  Het bal na afloop duurde tot 12 uur.

De nieuwe ‘Reehorst’

Eind jaren twintig werd duidelijk dat de ‘Reehorst’niet meer voldeed aan de eisen die aan een modern theater werden gesteld. Dr. Hartogs onderkende het probleem en schreef tijdens een feestavond in 1929 op een muur van de ‘Reehorst’: f. 60.000, - goed voor de bouw van een nieuwe ‘Reehorst’.

In 1930 werd het oude jachthuis afgebroken. Hiervoor in de plaats kwam een moderne schouwburg annex bioscoop. De nieuwe ‘Reehorst’ was een imposant pand met: een bioscoop annex schouwburgzaal met 630 zitplaatsen, op parterre een gymnastieklokaal met daarboven een muziek- annex danszaal. Op de bovenverdieping bevonden zich verder een schaakkamer en kleine zalen voor vergaderingen, cursussen en lezingen. Het nieuwe restaurant met brede terrassen aan de voorzijde, maakte de accommodatie compleet. In de schouwburgzaal was een goede geluidsinstallatie, een toneel met een regengordijn en een elektrisch brandscherm. De kleedkamers en het toneel waren voorzien van de modernste snufjes. Voor de filmprojecties was een moderne installatie aangeschaft. Volgens de lokale pers was de ‘Reehorst’ de grootste schouwburg in de omgeving en een aanwinst voor Ede. Voor het kaderpersoneel van de AKU en belangstellenden van buiten, werden de tennisbanen en de theetuin gerenoveerd.

Als gevolg van de economische crisis moest er echter ook bezuinigd worden op de inrichting van de nieuwe ‘Reehorst’.  Dankzij vrijwilligers kon de nieuwe ‘Reehorst’ toch op 5 april 1930  met een groots feest worden geopend. 

Voor de nieuwe ‘Reehorst’ werden de algemene voorschriften betreffende de ‘Reehorst’ uit 1924 minder streng gehandhaafd. De tennisbanen vielen zelfs geheel buiten deze regeling. Kennelijk golden voor het hogere kader en hun introducés andere regels.

Omdat, vanaf eind jaren twintig, als gevolg van de reorganisatie bij de AKU, het personeelsbestand terugliep, waren er minder activiteiten van de ENKA-verenigingen. In de gemeente was echter grote behoefte aan accommodatie waar verenigingen uitvoeringen en voorstellingen konden geven. Om een exploitatietekort te voorkomen besloot de directie van de AKU de ‘Reehorst’ ook aan derden te verhuren. Vanaf dat moment was een nieuwe vorm van beheer voor de ‘Reehorst’ noodzakelijk. De exploitatie van het gebouw werd overgedragen aan de N.V. Vereenigd Industrieel bezit No. 6. De aandelen van de ‘Reehorst’ bleven in handen van de AKU met de vermelding dat: “de ontspanning van het AKU personeel niet in gedrang zou komen”.

Programmering van de filmvoorstellingen

In de geraadpleegde archieven is weinig materiaal gevonden dat een compleet beeld geeft van de films die in de onderzochte periode werden vertoond. In een interview in de ‘Spindop’ noemde administrateur Teunissen, (in de jaren dertig werkzaam bij de ‘Reehorst’), Jordaan films als ‘De Jantjes’, voorts het Monster van Frankensteijn, films van Charlie Chaplin en Russische films.

De voorstellingen werden nog altijd muzikaal begeleid door het ENKA-strijkje. In de nieuwe ‘Reehorst’  werden films vertoond op zaterdag, zondag en op maandag of dinsdag.

1e rij balcon       f. 0,75        
Overige plaatsen balkon   f. 0,50     
Zaal    f. 0,30    1930/1931 

Prijslijst van ‘De Reehorst’

In het nieuwe theater waren alle inwoners van Ede welkom. In de voorgaande jaren was de kleine concertzaal ‘Buitenlust’, de enige accommodatie voor uitvoeringen en voorstellingen. In ‘Buitenlust’ speelden de militaire toneelverenigingen ‘Advendo’ en ‘Het Heidebloempje’ blijspelen voor uitverkochte zalen. Volgens Nijenhuis was het Edese publiek weinig gewend op cultureel gebied.

Uit wekelijkse advertenties in de lokale krant van het Luxor filmtheater en  Musis Sacrum in Arnhem,  wordt duidelijk dat de  Edenaren vóór 1930 voor voorstellingen van enig niveau, aangewezen waren op het culturele aanbod in Arnhem.

Programmering van de toneel- en amusementsvoorstellingen

Na de opening van de nieuwe Reehorst’ kon het publiek intekenen op een abonnement voor een serie voorstellingen die in de winter werden gegeven. In de jaren dertig was er veel belangstelling voor deze vorm van amusement. Elke week werden vanuit een auto, in de buitendorpen kaarten voor de voorstellingen verkocht. Bekende toneelgezelschappen met nationaal bekende acteurs en actrices traden op in het nieuwe theater. Volgens de recensies in de locale krant waren deze voorstellingen in de meeste gevallen uitverkocht.

In zijn interview in de ‘Spindop’ vertelde Teunissen dat beroemde acteurs als Louis Saalborn, Fien de la Mar, Johan Kaart en Aaf Bouber tot de vaste bespelers van het ‘Reehorst’ toneel behoorden. De ‘Reehorst’ was door de goede accommodatie bij acteurs bijzonder populair.

Naast de ENKA-verenigingen maakte ook de plaatselijke verenigingen gebruik van de nieuwe ‘Reehorst’. Uitvoeringen en demonstraties werden opgeluisterd door een bekende cabaretier of door de officiers toneelvereniging ‘De Heideroosjes’. De ENKA jazzband ‘Mexicaanse Hond’ verleende medewerking bij het traditionele ‘bal na’ van uitvoeringen en voorstellingen van deze verenigingen.

Het zwembad

Voorbereidingen

Tijdens de raadsvergadering van 13 februari 1925 diende De Klein (SDAP) een motie in waarbij B&W werden uitgenodigd voor een overleg met het Groene Kruis. Onderwerp van dit gesprek zou de opzet zijn van een bad- en zweminrichting in Ede, “waar de hele gemeente gebruik van kan maken”. Op dat moment bestond er al een commissie van particulieren, die ervan overtuigd was dat voor de stichting van een zwembad offers moesten worden gebracht. Dinger (Onafh.), die tevens voorzitter was van deze commissie, stelde voor om tevens in de motie vast te leggen dat: “De raad van oordeel is dat een bad- en zweminrichting gewenst is”. De motie van De Klein werd aangenomen met 13 stemmen voor en de stemmen van een deel van de behoudende raadsleden tegen. Ondanks alle goede bedoelingen bleek in april 1926 dat het oprichtingscomité, onder aanvoering van Dinger, de fondsen voor het nieuwe zwembad niet rond kreeg. Een nieuw plan om de bouw van een zwembad te combineren met een verenigingsgebouw voor de ijsclub, werd door de leden van de ijsclub verworpen.

Dinger, zat niet bij de pakken neer. Hij nam contact op met de directie van de AKU die zich welwillend opstelde. De kunstzijdefabriek stelde, voor een gering bedrag, een stuk grond aan de Parallelweg ter beschikking en bovendien kreeg het comité de toezegging dat de ENKA gratis warm water aan het zwembad zou leveren.

Op 21 februari 1930 dienden B&W van Ede een voorstel in waarbij garantie van de raad werd gevraagd voor de rente en aflossing van een obligatielening die door het oprichtingscomité voor een zwembad was uitgeschreven. In de begroting waren subsidies van de AKU en van Defensie opgenomen. Het raadslid Heij (CHU) merkte op dat steun aan een zwembad in Ede niet aan de orde kon zijn omdat de gemeente al steun verleende aan een zweminrichting in Veenendaal. Uiteindelijk besloot de raad, met vijftien stemmen voor en vier stemmen tegen, dat geen garantie maar steun zou worden verleend aan de oprichting van een zwembad. Uiteindelijk besloot de gemeenteraad bij te dragen in de kosten van een exploitatietekort.

Tijdens een openbare vergadering van het oprichtingscomité op 10 maart 1931, werden de plannen voor de bouw van het nieuwe zwembad voorgelegd. Omdat het exploitatietekort te groot zou worden, werd tijdens de vergadering besloten voorlopig geen badafdeling in de plannen op te nemen. 

Men beschikte al over een flink aandelenkapitaal en hoopte het resterende bedrag door obligaties van f. 1000, - tegen 4% binnen te halen. Als compensatie voor het gebruik van de grond en de levering van warm water zou de AKU vijf obligaties van elk f. 1000, - ontvangen.

Tijdens de vergadering lag de tekening voor het bad, ontworpen door architect Wiepking uit Ede, ter inzage. Het bad bestond uit een L-vormige bak van gewapend beton met een diep en een ondiep bassin van 25 x 15 meter. Een springtoren en een lage duikplank maakten het zwembad compleet. Consumpties zouden worden verkocht in een ‘verversingslokaal’ met op het dak van dit gebouwtje een ‘uitzichtterras’. Aan weerszijden van het bad waren éénpersoons kleedkamers en twee grote kleedkamers gepland. Aan de zuidkant werd een groot grasveld voorzien dat dienst kon doen als speelweide.

De bouw van het zwembad

In april 1931 werd begonnen met de bouw van het zwembad. Er werd hard gewerkt aan een bad dat voldeed aan alle eisen van de Nederlandse Zwembond.  

Op 11 juli 1931 opende de heer Dinger, als voorzitter van het oprichtingcomité, onder grote belangstelling het nieuwe zwembad. In zijn openingsrede dankte hij de directeur van de AKU-Ede, de heer Plantenga die, zonder het belang van zijn werkgever te schaden, alles had gedaan om de bouw van het zwembad mogelijk te maken. Dinger was blij met de aanwezigheid van de burgemeester en enkele raadsleden. Hij vond niettemin dat de raad aarzelend te werk was gegaan bij het toekennen van subsidie voor het nieuwe bad.

Bewoners van Ede die bang waren voor het gebruik van het ENKA-water, stelde hij gerust met de mededeling, “dat zuiver bronwater vanaf de fabriek door smetteloze buizen naar het bad werd geleid”. Na het openingswoord speelde de ENKA-harmonie een vrolijke mars en gaven de Nederlandse topzwemsters Braun en Oversloot een duikdemonstratie vanaf de springtoren.

Zwemlustige inwoners van Ede konden gebruik maken van het zwembad van: 7 uur in de ochtend tot het donker was, ‘s zondags tot 12 uur.  

In de richtlijnen voor gebruikers van het zwembad stond: “Zowel voor dames als voor heren is een volledig badkostuum verplicht, enkel een zwembroek is derhalve niet toegestaan.”  

Hoewel sceptici hadden verwacht dat men in Ede niet enthousiast zou zijn voor zwemmen, werd er sinds de opening op grote schaal van het zwembad gebruik gemaakt. De eerste officiële zwemwedstrijd in het nieuwe bad werd op 21 augustus 1932 gehouden.

Reacties van B&W en de raad op de bioscoopwet van 1 maart 1928

Ondanks het enthousiasme van burgemeester Creutz over de komst van de kunstzijdefabriek, werd in de gemeenteraad van tijd tot tijd heftig gediscussieerd over de veranderingen die zich in Ede voordeden. Zo maakte de gemeenteraad zich grote zorgen over de invloed van filmvoorstellingen op de plaatselijke bevolking.

Tot 1 maart 1928 mocht een film alleen met goedkeuring van de burgemeester in het openbaar worden vertoond. Volgens de nieuwe bioscoopwet was in de eerste plaats toestemming nodig van B&W. Zij mochten alleen goedkeuring weigeren indien: “de plaats waar de voorstellingen worden gegeven niet voldoet aan de eisen van veiligheid, gezondheid en zedelijkheid.” Vanaf deze datum mochten enkel films worden vertoond die door een landelijke filmkeuringscommissie waren goedgekeurd.

De gemeenteraad besprak 2 maart 1928 een voorstel van B&W om in het kader van de nieuwe bioscoopwet, een commissie in het leven te roepen die alle films en reclameafbeeldingen aan een gemeentelijke nakeuring moest onderwerpen. Het College achtte het niet gewenst om na de centrale keuring in Den Haag alles vrij te geven. “Het zou ook niet logisch zijn om, krachtens de politieverordening der gemeentewet censuur uit te oefenen op toneelvoorstellingen en niet op de maatschappelijk gevaarlijker bioscoopvoorstellingen. Men diende rekening te houden met de oudere bevolking van Ede die niet die ontwikkeling had als die van Amsterdam.” Bovendien was het College van mening dat, wat voor Den Haag geschikt was, nog niet voor Ede geschikt hoefde te zijn. Het voorstel van B&W werd zonder hoofdelijke stemming goedgekeurd met de aantekening dat De Klein en Poppe (SDAP) tegen stemden. In de raadsvergadering van 23 april 1928 werd aan de hand van een brief van het Ministerie duidelijk dat de commissie geen coupures mocht aanbrengen in films. In de raadsvergadering van 18 december 1931 uitte raadslid De Klein kritiek op de samenstelling van de bioscoopcommissie. Hij vond het onjuist dat mensen die zelf niet naar de bioscoop gingen, wel beoordeelden wat anderen al of niet mochten zien.

De rol van de ENKA bij maatschappelijke ontwikkelingen

De ENKA-verenigingen

De oprichting van verschillende verenigingen, speciaal voor de werknemers van de ENKA, werd in de eerste jaren vooral door Dr. Hartogs gestimuleerd. Zo mocht de administratie van deze verenigingen door werknemers in werktijd worden verzorgd. Wie zich verdienstelijk maakte voor één van de clubs, kon rekenen op extra aandacht van de directie wat vaak gepaard ging met promotie. Alle activiteiten moesten wel aan Hartogs worden gerapporteerd. Wanneer de resultaten naar wens waren, was hij gul met subsidies en aanvullingen van de tekorten. Vooral de verenigingen die in de jaren twintig werden opgericht, mochten zich verheugen in een grote belangstelling. Vanaf 1929 ging het bergafwaarts met het ledental van de ENKA-verenigingen. Omdat een groot aantal werknemers wegens de rationalisatie van het arbeidsproces werd ontslagen, waren er minder mogelijkheden om van dienst te ruilen voor repetitieavonden. Een ander probleem was het feit dat alleen werknemers van de ENKA en hun familieleden lid mochten worden van de verenigingen. Dit had tot gevolg dat, in de loop van de jaren dertig, een groot aantal verenigingen werd opgeheven. Het postadres van de commissie verenigingen ‘Reehorst’ was directie ENKA Arnhem.

De ENKA-Harmonie

Eén van de eerste verenigingen die door en voor de medewerkers van de nieuwe kunstzijdefabriek werd opgericht, was de ENKA-Harmonie op 6 juni 1924. De directie van de ENKA zorgde voor de instrumenten en de uniformen van het korps. De commissie ENKA verenigingen hield het gedrag van de leden streng in het oog, zo werd in 1928 zelfs een orkestlid geroyeerd omdat hij zich tijdens een uitvoering had misdragen.

Enkele jaren na de oprichting was het orkest opgeklommen van de vierde naar de eerste afdeling fanfare in de landelijke competitie. Regelmatig marcheerde de ENKA-Harmonie vanaf de ‘Reehorst’ in de richting van het dorp waar werd gemusiceerd in de tuin van Hotel Restaurant het ‘Hof van Gelderland’, op het ‘Maanderplein’ of op de markt. De verstandhouding met het Edesch Fanfarekorps, dat domicilie had in het dorp, was niet best. Op een uitnodiging van de ENKA-Harmonie voor een vergadering “om de onderlinge verstandhouding te verbeteren” reageerde dit korps afwijzend. De forse subsidie die door de ENKA-directie in de vorm van uniformen en instrumenten aan de ENKA-Harmonie was verstrekt, zorgde voor scheve ogen. Zelfs het vaandel van het orkest was, nadat het was goedgekeurd, betaald door de directie. De contributie was 5 cent per week.

In de jaren 1928 en 1929 ontving het orkest uitnodigingen voor optredens van de plaatselijke VVV, de Stichting Wolfheze en orkesten uit Utrecht en Arnhem. Reis-en verblijfkosten werden door de directie vergoed. In 1929 werd een uitstapje gemaakt naar het zusterbedrijf van de ENKA in Oberbruch (DLD). Hier musiceerde het orkest op 11 en 12 mei in de Turnhalle. Haar laatste concert gaf het orkest op 25 augustus 1932 in de verlichte tuin van Hotel ‘Welgelegen’ waar ook Hartogs regelmatig overnachtte. Op 1 september 1932 werd het orkest opgeheven wegens een krimpend ledental als gevolg van de reorganisatie.

Intussen was op 1 juli 1932 in Ede-Zuid de Edesche Harmnie opgericht. Een aantal muzikanten uit de ENKA-Harmonie werd lid van dit orkest, dat de muzikale traditie van de ENKA-Harmonie in Ede-Zuid heeft voortgezet.

ENKA’s mannenkoor

Bij de feestelijke opening van de ‘Reehorst’ in 1925 zong op de openingsavond een dubbel mannenkwartet. Hoewel de zangers al een jaar hadden gestudeerd, was hun optreden ver onder de maat. Voor de volgende twee avonden vond het feestcomité de medewerking van dit dubbelkwartet dan ook ongewenst. De zangers zaten niet bij de pakken neer en besloten een mannenkoor op te richten. De animo voor dit plan bleek zo groot dat het koor in korte tijd al dertig leden telde. Op 30 januari 1925 werd het koor officieel opgericht en kreeg de naam ENKA’s Mannenkoor. De dirigent, J.F. van Zutphen, had grote moeite om de enthousiaste maar ongeoefende zangers de eerste beginselen van de koorzang bij te brengen. Echter, na een half jaar studeren besloot men om, in samenwerking met de ENKA-Harmonie, een concertje te geven op de tennisbaan achter de ‘Reehorst’. Dit eerste optreden werd een succes en men besloot het repertoire uit te breiden. Op het moment dat het koor een vaste kern had van 25 zangers, verleende de directie van de ENKA financiële steun. Het koor studeerde ijverig en werd één van de beste koren in de omtrek.  De zangers behaalden eerste en ereprijzen en klommen in korte tijd op van de vierde naar de ereafdeling van de nationale competitie. Tijdens de jaarlijkse uitvoeringen was de zaal van de ‘Reehorst’ tot de laatste plaats bezet. Bij gelegenheid van het tienjarige bestaan van het koor in 1935, werd in Ede een zangconcours georganiseerd waaraan 45 verenigingen deelnamen. Voor zonen van de werknemers van ENKA werd 10 december 1936 een jongenskoor opgericht dat 27 leden telde.  

De reddingsbrigade

Bij de ontploffing op 7 augustus 1925 in de spinnerij van de fabriek waren drie doden, vier zwaar gewonden en een aantal licht gewonden te betreuren. Op dat moment werd de directie zich bewust van het nut van een goed georganiseerde hulpverlening die bij ernstige ongevallen direct kon ingrijpen. Op advies van de medische adviseur van de Arbeidsinspectie werd onder leiding van de bedrijfsarts Heimans op 1 januari 1927 een vrijwillige reddingsbrigade opgericht. Vanaf het eerste moment was er grote belangstelling voor deze vorm van hulpverlening. Omdat de ENKA een continubedrijf was, werd de reddingsbrigade in de vorm van ploegendienst opgezet. In elke ploeg moest een kern getraind zijn die bij alarm direct hulp kon verlenen. In eerste instantie was een aantal werknemers met een EHBO diploma en technische hulpmiddelen nodig. Omdat het dorp Ede niet over voldoende ambulances beschikte, werden enkele ‘ENKA-bussen’ van de EVA aangepast voor gewondenvervoer.

De Reddingsbrigade bestond uit:

  1. Een geneeskundige groep            
  2. Een technische groep                   
  3. Een politiedienst   
  4. Een administratieve groep
  5. Een vervoersgroep
  6. Een gasgroep

Onder leiding van dr. Heimans en de verpleegkundige, zuster Thueré,  eveneens in dienst van de ENKA, werd de organisatie van de brigade ter hand genomen. Met EHBO-cursussen werden de leden van de geneeskundige groep geschoold. Regelmatig hield de brigade kleine en grote oefeningen. In 1930 waren er 72 leden bij de reddingsbrigade ingeschreven. De technische groep werd als hulpdienst opgenomen in de organisatie van het Nederlandse Rode Kruis. Bij besluit van het hoofdbestuur van het Rode Kruis van 20 november 1931 mochten alle groepen, inclusief de niet medische, het Rode Kruis embleem dragen.

De Vereeniging Reddingsbrigade

Om de samenwerking tussen de leden van de reddingsbrigade te bevorderen werd op 17 oktober 1930 een vereniging opgericht met als doel:

  1. Het houden van ontspanningsavonden
  2. Het deelnemen aan wedstrijden
  3. Het geven van uitvoeringen
  4. Andere middelen die voor het doel bevorderlijk zijn.

Beschermheer van de vereniging was de heer Plantenga, de directeur van de fabriek in Ede, erevoorzitter was dr. Heimans. Jaarlijks waren er twee feestelijke gebeurtenissen: een ontspanningsavond in de ‘Reehorst’ en een autotocht op Tweede Pinksterdag. In 1938 waren er 85 personen ingeschreven als lid van deze vereniging.   

Mandolineclub ‘Cresendo’

De mandolineclub Çresendo’ opgericht op 4 maart 1925, kreeg subsidie voor de aanschaf van in totaal vijftien instrumenten. Op 2 november 1927 gaf de club een uitvoering met bal na in de ‘Reehorst’. De onkosten voor de uitvoering bedroegen: een balvergunning f. 5,25, een tapvergunning f. 10, - en de vergoeding van de jazzband ‘De Mexicaanse Hond’ f. 23,25. In de jazzband speelden werknemers van de ENKA. Bij de openingsavond van de nieuwe ‘Reehorst’ trad de mandolineclub nog op, 23 januari 1931 besloot het bestuur de club te ontbinden als gevolg van een gebrek aan leden.

ENKA atletiek-en voetbalclub

In april 1925 werd de ENKA atletiek en voetbalclub opgericht. De directie betaalde  f. 600, - aan oprichtingskosten. Op 23 juni 1926 stonden 26 werknemers van de ENKA op de ledenlijst. Een verzoek om toelating bij de Nederlandsche Voetbalbond werd afgewezen omdat de vereniging nog geen twee jaar bij de Arhemse bond speelde. In 1928 telde de club slechts  30 leden en liet in juni van dat jaar verstek gaan bij een wedstrijd wegens onvoldoende spelers. In 1929 kreeg de vereniging het advies om te fuseren met de voetbalverenging van de ENKA in Arnhem. De fusie ging niet door en de vereniging werd opgeheven.

De Ren- en Toeristenclub

Uit de overgeleverde gegevens blijkt dat deze vereniging niet goed heeft gefunctioneerd. Zij werd opgericht op 7 juli 1925 en in november van dat jaar telde de club 30 leden. De directie van de ENKA stelde de prijzen ter beschikking voor de wedstrijden die de club georganiseerde. De vereniging schreef op 4 februari 1927 aan de directie van de ENKA dat de financiële positie van de club niet rooskleurig was. De commissie ENKA-verenigingen ‘Reehorst’ schreef op 28 november 1927 aan het bestuur van de club dat de uitvoering beneden peil was geweest. Verder werd opgemerkt dat de uitvoering te laat was begonnen en dat er in de zaal geen kleine kinderen aanwezig hoorden te zijn. Bovendien paste het optreden van de humorist niet in de ‘Reehorst’. In juni 1928 hield de club een wegwedstrijd waaraan niemand plezier beleefde. Als gevolg van alle problemen besloot de directie: “in de toekomst worden geen prijzen meer beschikbaar gesteld”. Op 6 juli 1928 werden de zaken overgedragen aan de commissie ENKA- verenigingen in verband met opheffing van de vereniging.

ENKA kaatsclub

Speciaal voor medewerkers die afkomstig waren uit Friesland werd 26 juli 1929 een kaatsclub opgericht. Bij de oprichting werd vastgelegd dat de vereniging zou trachten het materiaal zelf te vervaardigen en te bekostigen. De vereniging nam met succes deel aan landelijke wedstrijden. Op het sportterrein achter ‘Reehorst’ werden ook op zondag kaatswedstrijden gehouden. Uit de correspondentie en berichten in de locale krant, blijkt dat talrijke eerste prijzen werden behaald. Op 1 januari 1935 werd de vereniging ontbonden in verband met “de volcontinue arbeid op zondag waardoor de kans om te oefenen onvoldoende is.” Ook bij deze vereniging speelde hetzelfde probleem als bij de ENKA-Harmonie: geen mogelijkheden meer om van dienst te ruilen.

ENKA toneelvereniging

Voor het kantoor en technisch personeel werd 30 oktober 1929 een toneelclub opgericht. In de loop van datzelfde jaar werd een uitvoering met bal na gegeven en werden er voorstellingen voor het nieuwe seizoen gepland. De vereniging werd al na twee jaar ontbonden wegens gebrek aan leden.

De contributies van de verenigingen waren niet bestemd voor alle uitgaven, zij gingen in een spaarpot waaruit bijzondere uitgaven werden betaald. Volgens een opgave van nadelige saldi uit 1929, zorgde de ENKA dat tekorten werden aangevuld.

De Jazz Band en het Reehorst Orkest

In de jaren twintig begeleidde een strijkje van ENKA werknemers de films in de ‘Reehorst’. Vanaf 1928 zorgde de Jazz Band ‘De Mexicaanse Hond’ voor de muziek tijdens uitvoeringen met bal na. De band verleende ook medewerking aan feestavonden van de diverse ENKA verenigingen. Het ´Reehorst Orkest´ wordt ook in de correspondentie genoemd als begeleidingsorkest van verschillende uitvoeringen en evenementen. De instrumenten van het orkest werden door de ENKA betaald.

Net als de ENKA-Harmonie die in de jaren twintig problemen had met het Edesch Fanfarekorps, had ook de Jazzband onenigheid over de oneerlijke concurrentie met, onder andere dansschool Arntz uit Wageningen. De Jazz Band speelde namelijk ook op evenementen die niet door de ENKA werden georganiseerd.

ENKA dansclub ‘Ons Genoegen’

De dansclub ´Ons Genoegen’ werd in 1930 opgericht. Bij deze vereniging mochten ook particulieren lid worden. Op 25 november 1930 verstrekte de burgemeester van Ede een dansvergunning voor het jaar 1931 voor de zondagavonden van zeven tot elf uur, mits op naam van de vennootschap gesteld. In de bovenzaal van de ‘Reehorst’ werd elke zondagavond dansles gegeven aan zowel medewerkers van de ENKA als aan particulieren uit Ede. De dansvergunning werd verleend onder voorwaarde dat: een ledenlijst in het lokaal waar gedanst werd aanwezig was, elk lid in het bezit moest zijn van een door de inspecteur van politie afgestempelde kaart waarop vermeld: naam en adres en uren waarop werd gedanst, dat gekostumeerd dansen niet was toegestaan zonder uitdrukkelijke vergunning, en verder dat minderjarigen niet zonder schriftelijke toestemming van ouders mochten dansen. Bij Koninklijk Besluit van 23 april 1933 werd officieel toestemming verleend “tot dansen in eene voor het publiek toegankelijke localiteit waarvoor vergunning of een verlof A is verleend.” Redenen waarom de verenigingen werden opgeheven

De belangrijkste reden voor het teruglopende ledental van de verenigingen was de rationalisatie van het productieproces en het feit dat enkel werknemers van de ENKA en hun familie lid van een vereniging mochten worden. Er waren minder werknemers nodig wat tot gevolg had dat er weinig mogelijkheden meer waren om van dienst te wisselen voor een repetitieavond. Volgens Van Eck was er ook wrevel bij de werknemers over het feit dat personen die zich verdienstelijk maakten voor een vereniging werden voorgetrokken in het bedrijf. Verder was hij van mening dat de arbeiders na hun werk niet in een vereniging in de fabriekssfeer wilden verkeren. Enkele verenigingen bestonden maar een korte tijd om de eenvoudige reden dat het bestuur niet goed functioneerde. Niet alleen enthousiasme, maar ook een goed bestuur was nodig om een vereniging tot een succes te maken. Uit de geraadpleegde stukken blijkt dat er niet altijd sprake was van goed bestuur. Toch blijkt dat vooral de inkrimping van het personeelsbestand de belangrijkste oorzaak te zijn geweest voor het verdwijnen van de verenigingen.

De speeltuinvereniging ‘Vooruit’

In de loop van de jaren twintig werd duidelijk dat leegstaande woningen in het tuindorp steeds vaker doelwit waren geworden van de vernielzucht van baldadige jeugd. Zelfs de aangelegde fruit- en groetentuinen en het park rond de ‘Reehorst’, waren mikpunt van de jongeren. Regelmatig klaagde de politie bij ‘Vooruit’ over het gedrag van de tuindorpjeugd. Het bestuur van ‘Vooruit’ vond het beschavingspeil van de bewoners van het tuindorp niet in alle opzichten hoog. Wellicht zou de opvoeding van de tuindorpjeugd buiten de schooltijd, een bijdrage kunnen leveren aan de oplossing van de problemen.

Om zich op de hoogte te stellen van de positieve invloed die uitging van een speeltuin, bezochten Jhr. Van den Bosch en enkele bestuurders van ‘Vooruit’ in 1927 een speeltuinvereniging in Amsterdam Betondorp (ook een tuindorp). Het bleek dat na opening van de speeltuin in Amsterdam het slechte gedrag van de jeugd, was afgenomen terwijl, mede als gevolg van de aanwezigheid van een speeltuin, jeugdverenigingen waren opgericht. Het bestuur van ‘Vooruit’ liet zich overtuigen van de opvoedende taak van een speeltuin. Men besloot een vereniging op te richten en toestemming te vragen voor de bouw van een speeltuin aan directeur Hartogs van de ENKA.  In een brief van 4 augustus1927 ging Hartogs akkoord met de aanvraag en stelde een krediet beschikbaar van f. 4782, -. De grond voor de speeltuin huurde de ENKA van ‘Vooruit’. Hoewel de gemeente aanvankelijk bij het overleg van de stichting van de speeltuin werd betrokken - zij verleende f. 150, - per jaar subsidie,  werd in verband met de moeilijke financiële situatie van de gemeente, de subsidie in 1933 weer ingetrokken.

Voor de aanleg van de speeltuin en het vervaardigen van de speeltoestellen schakelde het bestuur de ouders in. Op deze manier hoopte men de bewoners van ‘Vooruit’ gemeenschapszin en een verantwoorde vorm van vrijetijdsbesteding bij te brengen. Een flink aantal vaders stak de handen uit de mouwen en in korte tijd werd de grond bouwrijp gemaakt. De kosten van de speeltoestellen en het hekwerk waren f. 4184, - , de rest van het geld, werd besteed aan beplanting en bemesting van het complex.

Op 5 mei 1928 liepen de kinderen van het tuindorp, voorafgegaan door de ENKA-Harmonie, in optocht naar de nieuwe speeltuin. In aanwezigheid van burgemeester Creutz en de commissaris van politie opende mevrouw Hartogs de eerste speeltuin in Ede. Hoewel de speeltuinvereniging geen echte ENKA-vereniging was, verleende het bedrijf jaarlijks een flinke subsidie. In 1928 werd f. 1034,- en in 1938 f. 1400, - verstrekt. Van de jaarlijkse bijdrage van de ENKA werd onder andere een opzichter aangesteld.

Activiteiten van de speeltuinvereniging

Door de speeltuinvereniging werden verschillende clubs opgericht. Vooral voor de mondorgelclub en de operetteclub was veel belangstelling. De jaarlijkse uitvoeringen met bal na in de ‘Reehorst’ waren de hoogtepunten van het winterseizoen. De mondorgelclub speelde op een behoorlijk niveau en behaalde op landelijke concoursen eerste- en ereprijzen. In een gebouwtje op het speelterrein konden de kinderen uit het tuindorp zich na schooltijd bij slecht weer, vermaken met figuurzagen en handarbeid. Tijdens ouderavonden werd het werk van de kinderen tentoongesteld.

Elk jaar in december vierde de vereniging met meer dan 300 kinderen sinterklaasfeest in de ‘Reehorst’. In de zomer werd een uitstapje met bussen van de ENKA/AKU gemaakt. Eén reis ging naar Burgers Dierenpark in Arnhem, in een volgend jaar ging de club naar Harderwijk. Ouders zorgden voor de begeleiding van de reisjes. Zaterdag 11 mei 1933 was er groot feest ter gelegenheid van het vijfjarige bestaan van de speeltuin. De kinderen van de vereniging liepen in optocht naar de ‘Reehorst’ waar ze samen met hun ouders genoten van een toneelstuk met bal na, tot na twaalven. In 1936 deed de speeltuinvereniging met een versierde wagen mee aan de optocht ter gelegenheid van de Heideweek in Ede.

Scholen

Vereniging tot Stichting en instandhouding van Scholen met den Bijbel

Dat er de Nederlandse Kunstzijdefabriek veel aan gelegen was om het onderwijs in Ede-Zuid te stimuleren, blijkt uit de medewerking die zij verleende aan de christelijke school die 1 september 1921 in Ede-Zuid werd geopend. Op 1 oktober 1921 telde deze school negenentachtig leerlingen. Omdat er nog geen schoolgebouw was, stelde de ENKA per 1 september 1921 de benedenverdieping van het ‘Parkhotel’ ter beschikking. Voor een periode van ongeveer zeven maanden kon de school gebruik maken van drie lokalen in het hotel voor een bedrag van f. 50, - per maand. Het hoofd van de school kreeg met zijn gezin tijdelijk onderdak op de bovenverdieping van het hotel. In een brief van 18 juli 1921 deelde Dr. Hartogs aan het schoolbestuur mee dat hij het Parkhotel niet had gekocht om dit te verhuren, maar “wel in het belang van onze fabriek en haar aangestelden”. Om deze reden had de ENKA per 1 januari 1922 het hotel nodig als huisvesting voor werknemers van de fabriek. Verder deelde Hartogs mee dat hij voor de bovenwoning geen huur wenste te ontvangen. In plaats van huur vroeg hij het schoolbestuur om een maandelijkse bijdrage van f. 25, - aan het Kinderziekenhuis in Arnhem over te maken.   

De bouw van een eigen schoolgebouw werd energiek ter hand genomen. Op 15 maart 1922 werd de nieuwe school aan de Muldersweg geopend. Hoewel met de ENKA was overeengekomen dat de school per 1 januari 1922 naar een andere locatie moest verhuizen, werd hieraan niet streng de hand gehouden. Tot de opening van het nieuwe schoolgebouw kregen de kinderen van Ede-Zuid les in het ‘Parkhotel’.

De Edesche Schoolvereniging·

Door de komst van het garnizoen in 1905 en de vestiging van de kunstzijdefabriek in 1922, veranderde de samenstelling van de Edese bevolking. Meer dan voorheen werden er eisen gesteld aan het onderwijs in het dorp. Er kwam vraag naar een goede onderwijsinstelling waar kinderen werden voorbereid op het gymnasium of de HBS. Ouders die verandering wilden, hoopten, dat dit via de plaatselijke MULO kon worden gerealiseerd. Omdat pogingen om de gemeenteraad te overtuigen van de noodzaak om de MULO aan te passen mislukt waren, zocht men naar andere wegen om het onderwijs te verbeteren. Op 16 maart 1923 werd tijdens een vergadering van voorstanders van neutraal onderwijs de Edesche Schoolvereniging opgericht. 

Aanvankelijk gaf de start weinig problemen echter, het bijeenbrengen van de wettelijk voorgeschreven waarborgsom kostte meer moeite. Uiteindelijk was de Comenius Bank te Den Haag bereid het benodigde geld te verstrekken onder de volgende voorwaarden:

  1. De bank vroeg het recht een gedelegeerde te benoemen in het bestuur van de Edesche Scholenvereniging.
  2. De vereniging werd verplicht een obligatie van f. 1000, - te nemen in de Comenius Bank.

Aan de eerste voorwaarde voldeed de vereniging met de benoeming van Professor Van Baren uit Wageningen. Het invullen van de tweede eis gaf meer problemen. Omdat het bestuur niet op korte termijn over een bedrag van duizend gulden kon beschikken, deed men een beroep op de directie van de ENKA. Het was immers ook voor het kader van de kunstzijdefabriek belangrijk dat voor hun kinderen deze verbetering in het onderwijsaanbod werd gerealiseerd. De ENKA verstrekte het benodigde geld op voorwaarde, dat de kunstzijdefabriek het recht kreeg de voorzitter van het schoolbestuur te benoemen. Met algemene stemmen werd het aanbod aangenomen. Jhr. J.H.M. Van den Bosch werd benoemd tot voorzitter van het schoolbestuur.

Tijdens een vergadering van de Edesche Schoolvereniging in april 1925, kwam de noodzaak van de oprichting van een neutrale lagere school, in wezen bedoeld voor de betere stand, aan de orde. In deze vergadering werd naar voren gebracht dat er in Ede, door de opheffing van de school van de heer Kostense, enkel de openbare lagere school aan het Maandereind nog over was. Dit had veel ouders die hun kinderen naar een neutrale school wilden sturen in de problemen gebracht. Niet alleen het verdwijnen van een school was het probleem, men verwachtte eveneens ongunstige resultaten van het bestaande openbare onderwijs, “omdat daar kinderen uit verschillende klassen der maatschappij bij elkaar werden gebracht”. Bovendien vond men dat het geboden openbare onderwijs geen aansluiting gaf op de HBS of het gymnasium in Arnhem.

Hoewel de gemeenteraad niet onwelwillend stond tegenover de Edesche Schoolvereniging, waren niet alle inwoners van Ede blij met de stichting van een nieuwe school. Uit de ingezonden stukken in de lokale krant blijkt, dat er ook tegenstanders waren. Vooral het elitaire karakter van de nieuwe school was velen een doorn in het oog.

De standpunten van de voor- en tegenstanders lieten aan duidelijkheid niets te wensen over. Een kleine bloemlezing: “een eenheidsschool, door velen aanvaard, door weinigen begeerd”, “betrokken ouders voelen rechtstreeks belang bij de oprichting van een neutrale school”, “de ENKA als schoolhoudster”.

Stan Poppe schreef: “Minder kwaliteit hoger prijs. Dankzij de ENKA is de oprichting van een neutrale opleidingsschool mogelijk. De vraag of deze school een standenschool is, is niet aan de orde. Is het onderwijs aan de nieuwe school beter dan het onderwijs aan de openbare school? Meer geld besteden en geldelijk risico lopen voor bijzonder onderwijs lijkt mij dwaas”.

Ondanks protesten in de gemeenteraad en de kranten, stelde het gemeentebestuur een aantal lokalen in de villa ‘Heesterheide’voor de nieuwe lagere school beschikbaar. In september 1925 ging de school van start met 78 leerlingen en twee leerkrachten.

Als gevolg van een explosieve groei van het aantal leerlingen werd snel duidelijk dat nieuwbouw nodig was. In recordtempo werden de nodige vergunningen en financiën voor de bouw van een nieuwe school geregeld. Op 6 september 1926 opende de voorzitter van het schoolbestuur een nieuw schoolgebouw aan de Spoorstraat in Ede. Onder de genodigden waren burgemeester Creutz. en directeur Plantenga van de ENKA. De school bleef groeien en in 1928 bleek dat twee lokalen extra nodig waren om in het nieuwe schooljaar alle leerlingen te bergen. Met algemene stemmen verleende de gemeenteraad subsidie voor de bouw van twee nieuwe lokalen.

Gedurende de hele onderzoeksperiode mocht de ESV zich verheugen in een welwillende houding van het gemeentebestuur. Dokter Heimans werd in 1935 benoemd tot voorzitter van het schoolbestuur. In de onderzochte periode ontving de ESV elk jaar een aanzienlijk bedrag van de ENKA/AKU .

Het instituut Roelof Hart

Dit instituut is niet gesticht op initiatief van de ENKA., er zijn echter wel lijnen naar Dr. Hartogs. De heren Plooy en Kamerbeek die voorheen als leraar verbonden waren aan een HBS aan het Roelof Hartplein in Amsterdam, begonnen midden jaren twintig in Ede een particuliere school voor jongens die, door concentratiestoornissen, niet in het ‘normale’ middelbaar onderwijs pasten. Het tijdelijke onderkomen van het instituut was het ‘Parkhotel’. Zoals vermeld in het eerste hoofdstuk was Dr. Hartogs in de periode dat hij aan zijn promotie werkte, leraar op dezelfde HBS als de heren Plooy en Kamerbeek. Hoewel er geen schriftelijke bronnen zijn overgeleverd over de relatie Hartogs-Plooy-Kamerbeek, lijkt de hand van Hartogs in de huisvesting van het internaat aannemelijk. Toen in 1937 de Stichting voor Gymnasiaal en Middelbaar Onderwijs te Ede werd opgericht, werd ook het instituut Roelof Hart in de plannen betrokken. Als huisvesting voor de nieuwe school werden door de AKU bovenetages van woningen aan de Parallelweg afgestaan. De school ging van start met één eerste klas van het Gymnasium en één klas van de H.B.S., met in totaal ongeveer dertig leerlingen. Met de opening van het nieuwe schoolgebouw in Ede-Centrum in 1953 kreeg de school de naam het ‘Marnix College’.

De openbare lagere school aan de Kerkweg.

De ENKA was niet betrokken bij de oprichting van de openbare school aan de Kerkweg. Na de invoering van de onderwijswet in 1920, stimuleerde het gemeentebestuur vooral de bouw van christelijke scholen. Zoals aangegeven in het tweede hoofdstuk werden kinderen uit het tuindorp dagelijks met een bus van en naar de openbare school aan het Maandereind gebracht. Om aan deze situatie een einde te maken diende in de raadsvergadering van 11 januari 1929 een verzoek van de Vereniging voor Volksonderwijs om zo spoedig mogelijk over te gaan tot stichting van een openbare lagere school in ‘Maanen’. In de raad ontstond discussie over de gevolgen voor de openbare school aan het Maandereind. De heer Van der Deure wees op het feit dat voorstanders van neutraal onderwijs zich tot dusverre altijd loyaal hadden opgesteld wanneer aanvragen voor bijzonder onderwijs werden ingediend. Hij verwachtte een zelfde loyale houding van de voorstanders van bijzonder onderwijs ten opzichte van de aanvraag voor de oprichting van een school in ‘Maanen’.  Hoewel de meningen over de bouw van het gymnastieklokaal verdeeld waren, werd tijdens de raadsvergadering van 8 maart 1929 met algemene stemmen een krediet verleend voor de bouw van een openbare school annex gymnastieklokaal in het tuindorp.

De nieuwe school werd 7 januari 1930 in gebruik genomen zonder feestelijkheden zoals dat soms bij opening van bijzondere scholen gebruikelijk was. Door een tegenstander van de school werd op de eerste schooldag een steen door een ruit gegooid.

Ondanks de welwillende houding van het gemeentebestuur ten aanzien van de ESV, kon de stichting van een openbare lagere school in Ede-Zuid op veel minder medewerking van het overwegend conservatieve gemeentebestuur rekenen. Wellicht is het feit dat het bestuur van de ESV zich richtte op het ‘betere’ deel van de Edese bevolking hieraan mede debet geweest.

De dag- en avondnaaischool voor meisjes en de R.K. bewaarschool

In verband met de reorganisatie bij de AKU, waardoor het aantal vrouwelijke werkneemsters terugliep, werd het contract met de Zusters van de H. Jozef, die het internaat voor ENKA-meisjes in het ‘Parkhotel’ beheerden, per 1 januari 1933 opgezegd.

De parochie wilde de zusters graag voor Ede behouden en huurde voor twee jaar de villa Overveen aan de Stationsweg van de AKU. Om in hun onderhoud te voorzien dachten de zusters een klein verpleeghuis in te richten en een dag- en avond naaischool voor meisjes van elke leeftijd, te beginnen. Eén zuster werd ingezet als wijkverpleegster, een andere zuster werd de grondlegster van de RK bewaarschool in Ede. In eerste instantie was de bewaarschool gevestigd in de bestuurskamer van de RK lagere school. Al snel werd duidelijk dat villa Overveen niet geschikt was om alle plannen te verwezenlijken. De naai- en de bewaarschool werden een succes, het kleine pension annex verpleeghuis kwam niet van de grond. Twee en een half jaar later op 6 juli 1935, werd een nieuw zusterhuis annex bewaar-en naaischool met de naam van de Heilige Barbara ingezegend. Vanaf 1926 waren de zusters die oorspronkelijk behoorden tot de congregatie van de H. Jozef in Amersfoort, met Ede verbonden.

Reacties van de gemeenteraad op sport- en ontspanning op zondag

In de raadsvergadering van 20 juli 1932 stond een voorstel van het college van B&W op de agenda waarin werd voorgesteld om alle verlofslokaliteiten op zondag te sluiten. In dit voorstel was een aantekening opgenomen, dat een minderheid van het college van mening was dat het gebruik van spijs en drank op zondag op zich namelijk geen ontheiliging van de zondag inhield. Dit standpunt werd ook door belijdende christenen in de raad gehuldigd. De raadsvergadering nam, na discussie, in meerderheid het standpunt in, dat de overheid geen taken op zich diende te nemen “ die de hare niet waren”. Zo was AR-raadslid Pereboom, van mening “dat hij zijn roeping als raadslid niet getrouw zou zijn, door de Zondagsheiliging af te dwingen in den vorm van een verordening”. Een motie van Pereboom om het Collegevoorstel te verwerpen werd met 14 stemmen voor en 9 stemmen tegen aangenomen.

Naar aanleiding van de weigering van een dansvergunning door de loco-burgemeester in september van dat jaar, vroeg De Klein om opheldering. Het antwoord van burgemeester Creutz op deze vraag luidde: “Wethouder Van de Voort heeft als loco-burgemeester gehandeld in de vaste overtuiging dat dansen onder de huidige omstandigheden schadelijk is voor het zedelijk  volkswelzijn. In het algemeen belang zijn de vergunningen geweigerd.” De loco-burgemeester had gehandeld bij afwezigheid van burgemeester Creutz die juist dit soort vergunningen wel verleende.

Tijdens de raadsvergadering van 29 juni 1934 ontbrandde opnieuw een heftige discussie over de zondagsheiliging. Het onderwerp van de woordenstrijd was een weigering van B&W om een vergunning te verlenen voor voetbalwedstrijden van de Arbeiderssportbond op zondag 24 juni 1934. De emoties liepen zo hoog op dat De Klein zelfs een motie van afkeuring wilde indienen. De Klein bracht naar voren dat een ieder vrij moest zijn om de zondag door te brengen zoals hij dat zelf verkoos. In zijn antwoord stelde Burgemeester Creutz dat de waarachtige heiliging van de zondag nooit door de overheid kon worden afgedwongen omdat heiligen een zaak was van het hart. “De overheid diende echter wel de zondagsrust te bevorderen door geen vergunning te verlenen voor een wedstrijd op zondag in de kom van de gemeente, maar wel daar buiten, zodat niemand zich er aan hoeft te ergeren”. Raadslid De Koning meende dat de overheid voor de Godsdag en Godseer moest opkomen. Raadslid Pereboom (AR), was andermaal van mening dat de overheid niet dwingend mocht optreden ten aanzien van de zondagsheiliging. De overheid diende rekening te houden met een bevolking die uit verschillende richtingen bestond. Zij moest er wel voor zorgen dat men gelegenheid had de zondag te heiligen, daarom moest rumoer in de nabijheid van kerken worden voorkomen. In deze periode was, zoals eerder opgemerkt, in  Ede-Zuid geen kerk. Juist in Ede-Zuid werden de meeste activiteiten op zondag gehouden.

Uit alles blijkt dat de meningen over de zondagsheiliging in de gemeenteraad verdeeld waren. De raadsleden die tot de zeer behoudende kerkgemeenschappen behoorden, waren tegen alle vormen van vermaak op zondag. De meer gematigden wilden wel een oogje dichtknijpen mits het vermaak buiten het gezichtsveld van de kerken plaatsvond. De socialisten en liberalen waren van mening dat een ieder zelf mocht invullen op welke wijze hij de zondag doorbracht.

Hoewel Ede in zestig jaar grote veranderingen onderging, was er zelfs in 2006 een oproep in de plaatselijke krant om op oudejaarsdag (een zondag) tijdens de kerkdiensten geen vuurwerk af te steken.

Conclusie

In deze scriptie heb ik getracht een beeld te schetsen van de sociale en culturele veranderingen in Ede als gevolg van de vestiging van de Nederlandse Kunstzijdefabriek in Ede-Zuid.

Met de komst van de ENKA werd in Ede grootschalige fabrieksarbeid geïntroduceerd. De fabrieksarbeider deed zijn intrede en het dorp veranderde van een pensiondorp in een fabrieksdorp. Dit had ingrijpende gevolgen voor de bevolkingssamenstelling en voor het sociaal economische leven.  

Met haar 1609 werknemers bij de start van de productie was de ENKA veruit de grootste werkgever in Ede. Ook in de volgende jaren bleef de kunstzijdefabriek de grootste werkgever zoals blijkt uit onderstaand overzicht.

  Jaar     waarvan ENKA/AKU 
1922 1609
1928 3468
1930 2444
1938 1653

Niet alle werknemers kwamen ook in Ede wonen, voor ongeveer vierhonderd personen, arbeiders én kader heeft de directie woonruimte in Ede aangekocht of laten bouwen. De komst van deze nieuwe inwoners veranderde niet alleen de samenstelling van de beroepsbevolking, maar had ook gevolgen voor de religieuze samenstelling van de Edese bevolking. Vooral de katholieke kerk, opgericht als gevolg van de komst van het garnizoen in 1905, kreeg er heel wat parochianen bij. Zoals in hoofdstuk 2 naar voren is gebracht, veranderde door de komst van de nieuwe inwoners, het streng protestantse karakter van de Edese gemeenschap. De Nederlands Hervormde Kerk, die bij de kerksplitsing aan het eind van de 19e eeuw al aan invloed had ingeboet, kwam verder onder druk te staan. Dit gold voor Ede-dorp en vooral voor Ede-Zuid waar het merendeel van de nieuwkomers gehuisvest werd. De situatie in de buitendorpen aan de noordkant van Ede bleef lang ongewijzigd.

De meest zichtbare en tastbare verandering als gevolg van de huisvesting van de werknemers, is de bouw van het tuindorp ‘Vooruit’ geweest. Door de bouw van het tuindorp veranderde Ede-Zuid in een echte volkswijk. Het tuindorp had alle kenmerken van een fabrieksdorp. Juist dit aanzien heeft tot het nodige verzet in de gemeenteraad geleid.

Wat er ´achter het station´ gebeurde werd door de dorpsbewoners met argwaan bekeken. Een columnist van Edes nieuwsblad ging in 1920 zelfs zo ver, dat hij waarschuwde voor vreemdelingen die zich in Ede zouden vestigen. Tot ver na de Tweede Wereldoorlog was er bij de bewoners van ‘het dorp’ sprake van een lichte vorm van xenofobie ten opzichte van de bewoners van Ede-Zuid.

Het initiatief tot oprichting van de woningbouwvereniging ‘Vooruit’ was afkomstig van de ENKA- directie. Door de constructie van een woningbouwvereniging kon men gebruik maken van overheidsgeld ter financiering van de noodzakelijke huisvesting van de arbeiders. De woningbouwvereniging stond formeel los van de ENKA maar feitelijk was het bestuur in handen van de fabriek.

Toekomstige bewoners werden gescreend via het hoofdkantoor van de ENKA en een medewerkster van de fabriek controleerde de gang van zaken in het tuindorp. Om het

ontwikkelingspeil van de bewoners te verbeteren, bood de ENKA cursussen aan. Door de oprichting van een speeltuin werd de saamhorigheid van de bewoners verbeterd. Hoewel het opleidingniveau van de bewoners niet hoog was, vonden zij het belangrijk om hun kinderen naar het voortgezet onderwijs te sturen. Deze ouders kwamen, zoals uit de grafieken in hoofdstuk twee blijkt, voor het merendeel uit arme streken van Nederland. Een groot deel van deze mensen moest na vier of vijf jaar lagere school al meedoen in het arbeidsproces. Het is dan ook geen wonder dat zij voor hun kinderen een vervolgopleiding belangrijk vonden.

De doorloopsnelheid in het tuindorp was groot. Regelmatig vertrokken bewoners naar een woning in Ede of Bennekom. Vanaf het moment dat er begin jaren dertig bij de ENKA ontslagen vielen ontstond er leegstand. Bestond de populatie van het tuindorp in de jaren twintig vooral uit werknemers van de ENKA, begin dertig werden de leegstaande woningen verhuurd aan elke potentiële huurder. De voorwaarde dat alleen ‘nette bewoners’ welkom waren bleef gehandhaafd. Het tuindorp ‘Vooruit’, dat oorspronkelijk was gebouwd voor de werknemers van de ENKA, veranderde in een wijk met een gemengde bevolking van Edenaren en nieuwkomers.

De komst van de ENKA is ook van invloed geweest op het aanbod van ontspanning, cultuur en sport in Ede. Aan het begin van de jaren twintig was er op dit gebied nog weinig activiteit.

Op initiatief van Hartogs werden op een tiental terreinen ENKA fabrieksverenigingen opgericht die gericht waren op de eigen werknemers. Aanvankelijk was de animo voor deze verenigingen groot, maar eind jaren twintig waren, als gevolg van het inkrimpende personeelsbestand, nog maar weinig verenigingen actief. Het ENKA-mannenkoor bestaat nog steeds en geeft nog regelmatig concerten. Een aantal oud-leden van de ENKA-Harmonie werd, na de opheffing van hun korps, lid van de Edesche Harmonie die ook in 2007 domicilie heeft in Ede-Zuid.

De oprichting van de ENKA-verenigingen betekende een stimulans voor Ede en sloot aan op de eerdere initiatieven die waren ontwikkeld door het garnizoen. Aansluiting op de Edese verenigingen liep wat stroever. Hoewel alle sportverenigingen van de ENKA eind jaren twintig werden opgeheven, hebben de verenigingen wel de georganiseerde sportbeoefening in Ede gestimuleerd. Zo speelde de voetbalclub ‘Ede’ in de zondagcompetitie op een terrein aan de zuidzijde van de spoorlijn.

In 1931 kreeg Ede, na lang aandringen van progressieve raadsleden en op initiatief van een enthousiast comité, uiteindelijk, met medewerking van de AKU een zwembad. Ook het zwembad was op zondag korte tijd geopend.

Het gegeven dat er op zondag activiteiten werden beoefend, botste met de religieuze opvattingen in de gemeenteraad. Toch werd er voor deze activiteiten gemeentelijke toestemming verleend. Waarschijnlijk is een deel van de verklaring voor dit gedoogbeleid dat alles plaatsvond aan de zuidkant van de spoorlijn Utrecht-Arnhem. In deze wijk zijn ondanks dat hier meerdere wooncomplexen waren gebouwd, geen kerken verrezen. Ook was de meerderheid van de raad gevoelig voor het argument dat verbieden van alle activiteiten op zondag een aantasting van de individuele keuzevrijheid betekende.

Een belangrijke verandering in het culturele leven van Ede was de opening van de nieuwe ‘Reehorst’ in 1930. Deze grootste schouwburg in de omgeving werd in relatief korte tijd, zonder financiële steun van de gemeente, door de ENKA gebouwd. Vanaf dat moment was de Edese bevolking voor hogere cultuur niet meer aangewezen op Arnhem. Op alle dagen van de week waren de bewoners van Ede welkom voor toneel- en filmvoorstellingen, moderne- en klassieke muziek-uitvoeringen en operavoorstellingen. Het bood ook de toneelvereniging van het garnizoen een podium voor haar activiteiten. In de jaren dertig is er ten aanzien van de ‘Reehorst’, met betrekking tot de handhaving van de zondagsrust, vergeleken met de jaren twintig, een duidelijke verschuiving zichtbaar. Voor het gebruikelijke bal na een uitvoering of feestavond werd nu ook op zaterdag vergunning verleend tot na twaalven. Ook hier kunnen we de meer liberale opstelling van de burgemeester in het vergunningenbeleid onderscheiden.

De verandering in de samenstelling van de bevolking als gevolg van de komst van het garnizoen en de ENKA, had ook tot gevolg dat de roep om beter voorbereidend onderwijs luider werd. Het garnizoen was met de ENKA betrokken bij de oprichting van de Edesche Schoolvereniging, die in korte tijd een neutrale bijzondere school stichtte. Hiermee was een school, die wel aansluiting bood op het middelbaar onderwijs, in Ede gerealiseerd. Het wekt enige verwondering dat voor de bouw van een openbare lagere school geen initiatief werd genomen. Eerst tien jaar nadat de eerste woningen in het tuindorp waren opgeleverd, werd aan de Kerkweg een openbare lagere school geopend. Kennelijk voldeed het aangeboden lager onderwijs aan de behoefte en was hier noch bij de ENKA, het garnizoen of de gemeenteraad de behoefte om in een openbare lagere school te voorzien.

De persoonlijke inbreng van een aantal betrokkenen is groot geweest. Zowel Hartogs, Van den Bosch, Heimans en Weyer hebben hun stempel op de ontwikkelingen gedrukt. Vooral Hartogs heeft met groot enthousiasme initiatieven ontplooid, die niet alleen voor de ENKA, maar ook voor de culturele en sociale ontwikkeling van Ede van groot belang zijn geweest.

In het gemeentebestuur was burgemeester Creutz de stimulerende factor voor de komst van de ENKA naar Ede. Hij zorgde, net als zijn voorganger Op ten Noort bij de komst van het garnizoen, dat het verzet in de gemeenteraad tegen, in dit geval de komst van de fabriek, opgeheven werd. Uit de raadsverslagen blijkt huivering voor het onbekende en een ambivalente houding van de raadsleden ten opzichte van grootschalige industrie. Creutz bemiddelde meerdere malen bij conflicten tussen de gemeenteraad en de kunstzijdefabriek. Meer dan eens wist de ENKA-directie de raad in een positie te manoeuvreren waardoor de besluitvorming ten faveure van de ENKA uitviel. Het gemeentebestuur was niet opgewassen tegen de professionele aanpak van de ENKA-directie. Voortdurend kwam de raad voor onaangename verrassingen te staan: “Het is alles ‘Vooruit’ ‘Vooruit’ ‘Vooruit’ wat de klok slaat” zoals een wanhopig raadslid riep tijdens een raadsvergadering. Vooral de financiële tekorten van ‘Vooruit’ en de stank die de fabriek verspreidde leidden tot heftige debatten. Tot aan 1931, toen een financiële regeling  werd getroffen voor de tekorten, hing ‘Vooruit’ als een molensteen om de nek van de gemeenteraad. Hoewel de fabriek als grootste werkgever flinke economische voordelen bracht, werden vooral klachten over de stank en de tekorten in de raadsvergaderingen breed uitgemeten.

Protesten in de gemeenteraad tegen de zondagsarbeid als gevolg van de volcontinudiensten bij de ENKA hadden geen resultaat omdat de nationale arbeidswetgeving dit toegestaan had. Uit deze botsing van belangen van de industrie en de leefgewoonten van de Edese bevolking kwam de industrie opnieuw als winnaar tevoorschijn. De houding van SDAP raadslid De Klein in deze kwestie is zacht gezegd vreemd. In het debat over de zondagsarbeid wees hij op de verstoring van een rustige kerkgang door arbeiders op weg naar de fabriek. In de jaren dertig botste hetzelfde raadslid met de loco-burgemeester over diens weigering om een vergunning te verlenen voor een sportdag op zondag.

De angst voor de negatieve gevolgen van de moderniteit zien we terug in het gemeentelijke initiatief om boven op de landelijke filmkeuringscommissie nog een gemeentelijke variant in te stellen. Dit uit bezorgdheid over het zedelijke peil van de films die in de ‘Reehorst’ werden vertoond. Pogingen om tot een zondagssluiting voor openbare gelegenheden te komen werden echter met een kleine meerderheid verworpen.

Opvallend is dat de komst van de ENKA en de sport en spelbeoefening op zondag, niet geleid hebben tot genotuleerde gesprekken binnen de kerkenraad van de Hervormde Kerk. Wellicht was men in deze kring van mening dat leden van de kerk zich niet zouden inlaten met de zondige kanten van de Edese samenleving.

Ede anno 2007

De kunstzijdefabriek is in 2003 gesloten. In de ontwikkelingsplannen voor het gebied ten zuidoosten van het spoor Utrecht-Arnhem is besloten om in elk geval het oude carré te behouden en op te nemen in de plannen voor een nieuwe woonwijk op het voormalige ENKA-terrein.

De woningbouwvereniging ‘Vooruit’ werd in 1983 opgeheven. In de jaren negentig van de twintigste eeuw kreeg het eerste complex van het tuindorp de status van monument. Hierna werd dit deel van voormalig ‘Vooruit’ gerestaureerd en herbouwd in de stijl van Eschauzier en Van der Burgh. Deze woningen zijn momenteel zo gewild dat, op het moment dat er een woning vrijkomt, zich meer dan 200 gegadigden aanmelden. Na de sloop van het tweede complex, waarbij de openbare school werd gespaard, werd op de vrijgekomen bouwgrond een nieuwe woonwijk gebouwd in de bouwstijl van de jaren dertig. Het deel van het tuindorp dat in 1922 door de gemeenteraad werd verguisd is nu een aanwinst voor Ede-Zuid. Zelfs de televisie maakte na de renovatie een reportage van het gerenoveerde complex.

De ‘Reehorst’ is na een ingrijpende verbouwing een schouwburg annex congrescentrum met landelijke bekendheid. De belangstelling voor de Edesche Schoolvereniging is groot, vandaar dat er al jaren een wachtlijst is voor nieuwe leerlingen. Tot ongenoegen van de Edese bevolking werden het zwembad en de woningen langs de Dr. Hartogsweg, gesloopt. Op dit moment is er op deze locatie een tijdelijk noodparkeerterrein ingericht.

Uit dit onderzoek blijkt dat de basis voor Ede-Stad, zoals Ede officieel sinds 1989 wordt genoemd, tussen 1919 en 1939 mede werd gelegd door de ENKA en de bewoners van Ede-Zuid. De komst van de ENKA is een belangrijke stimulans geweest voor de groei van Ede op weg naar de 100.000 grens die de gemeente in 1997 vol trots bereikte.

© 2016 Historisch Museum Ede. All Rights Reserved.

Design: @Magic