enka

Terugkeer van ons goed

image002Civiel Officier Kapt. B.C. Saalmink (investigation officer in the field)Na de capitulatie van Nederland op 14 Mei 1940, ging het opperbevel in Nederland en ook België over op Generaal von Falkenhausen, er werd voor deze gebieden geen onderscheid gemaakt tussen het militaire en civiele gezag.

Dit duurde echter slechts kort. Het decreet van de Führer over de uitoefening van de regerings-bevoegdheden in Nederland van 18 Mei 1940 bracht hierin verandering. Niet alleen werd het civiele en het militaire gezag in Nederland gescheiden, doch bovendien werd het militaire gezag voor Nederland en België gesplitst. De militaire soevereine rechten gingen over aan de generaal der vliegers, Christiansen en het civiele bestuur aan de Rijksminister Seyss-Inquart. Dit decreet vormt het fundament voor alle maatregelen der Bezettingsmacht tegen Nederland. Het trad op 29 Mei 1940 in werking. Op papier was Christiansen de machtigste man in Nederland, maar het kwam erop neer, dat Seyss- Inquart de lakens uitdeelde. Het Duitse militaire apparaat heeft veel Nederlands bezit zelfstandig gevorderd, terwijl dan de vermelding "ten behoeve van de Duitse weermacht" bij de verschillende acties moest suggereren, dat in overeenstemming met het land-oorlogsreglement werd gehandeld.

 

Uit practisch alle bezette landen is door de Duitsers materiaal weggehaald. Wat Nederland betreft, wij weten welke catastrophale afmetingen dit wegslepen heeft aangenomen, hetgeen mede zijn oorzaak vindt in de volgende feiten:

  1. le. De organisatie van het Duitse civiele gezag in Nederland maakte het de bezetter van de beginne af aan mogelijk, iedere daartoe noodzakelijke maatregel te nemen en uit te voeren.
  2. Massaal transport van Nederland naar Duitsland te land en te water bracht weinig moeilijkheden met zich mede in vergelijk met de meeste andere bezette gebieden.
  3. Na de landing in Normandië gevolgd door de bevrijding van Frankrijk en België door de geallieerde legers, is de Duitsers de onvermijdelijkheid van de ontruiming van Nederland duidelijk geworden.
  4. Na de mislukte geallieerde lucht- landing bij Arnhem op 17 September 1944 gevolgd door de spoorwegstaking en de  evacuatie van Arnhem en andere plaatsen, was voor het niet bevrijde gebied van Nederland het hek van de dam.

Was voor België en Frankrijk na September 1944 het in beslag nemen van goederen ten einde, voor Nederland begon het toen eerst goed. Vast staat, dat van het totaal 70 % na September 1944 is weggevoerd. Alles konden de Duitsers zich permitteren. De door Seyss- Inquart uitgevaardigde verordeningen tot inlevering, verbeurdverklaring, vordering, volgden elkander snel op. Op het niet nakomen hiervan werden steeds zwaardere straffen gesteld. Koper, auto's, fietsen, radio's, diamanten, dekens, goud, alles was goed. Het Nederlandse bezit werd buit. Ook ons cultuurbezit was voor de Duitsers niet veilig. Schilderijen, bibliotheken en collecties antiek werden weggevoerd. De Nederlandse kerkklokken werden voor een groot deel afgevoerd om in geval van een tekort aan brons opgesmolten te worden.

 

Wij onderscheiden:

In beslagneming door koop, door arisering, door deviezencontrole, door verplichte liefdadigheid (winterhulp) enz. Er zij nog opgemerkt, dat deze buit door koop de Nederlandse Bank op een bedrag van f 133.600.000 is komen te staan daar zij het door de Duitsers bij de inval in Nederland gebruikte betaalmiddel, de Reichskreditkassenscheine, tegen Nederlands bankpapier moest innemen. Dit bedrag werd Nederland toen als bezettingskosten in rekening gebracht.

Een andere maatregel op financieel gebied schiep echter de mogelijkheid op de ingeslagen weg met rasse schreden voort te gaan.

Op 1 April 1941 werd n.l. door de bezetter de deviezengrens tussen Nederland en Duitsland opgeheven, hetgeen voor mr. Trip, directeur van de Nederlandse Bank aanleiding was zijn functie neer te leggen. Zolang er nog door de Duitsers geregistreerde goederen aanwezig waren, was het vorderen onder de camouflage "koop" een eenvoudige zaak. Bij de registratie van voorraden was het velen gelukt, grote partijen niet op te geven. Helaas verdwenen deze partijen voor een groot deel in de zwarte handel.

De Duitsers zagen in, dat hen hierdoor een gedeelte van het Nederlands bezit zou ontgaan. Aan de ene zijde werden strenge maatregelen genomen, terwijl aan de andere zijde door de Duitsers op grote schaal op de zwarte markt werd gekocht. Hiertoe, werd met veel scherpzinnigheid een groot aantal bureaux uit de grond gestampt, die deze taak geraffineerd hebben uitgevoerd.

Een dezer bureaux was het kantoor "Holland" van de Rohstoff Handels Gesellschaft m.b.H. (Roges).

De Roges was in December 1940 opgericht met het doel, aankoop van grondstoffen in de bezette gebieden en opslag van oorlogsbuit, met het doel deze in Duitsland weer te verkopen. De naam Roges komen wij dan ook geregeld tegen bij de opsporing van de weggevoerde goederen in Duitsland na de capitulatie in 1945.

De regeringen van de bezette landen, zagen evenals wij in het bezette gebied met lede ogen de goederen uit hun landen verdwijnen en speciaal de verkopen aan neutrale landen, om deviezen te bemachtigen, waren hun een doorn in het oog.

Teneinde aan deze practijken een einde te maken, die zulk een enorme schade aan het volksvermogen toebrachten, maar bovenal om de neutrale landen duidelijk te maken, dat zij in wezen gestolen goederen kochten, met alle consequenties daaraan verbonden, werd op 5 Januari 1943 in Londen door 18 geallieerde landen de verklaring afgelegd, die meestal de "declaration Solennelle" genoemd wordt.

Deze verklaring heeft helaas, op Duitsland en ook de neutrale landen weinig of geen indruk gemaakt.

Zoals reeds gezegd, begon na de luchtlanding bij Arnhem in September 1944 het weghalen eerst goed. Hadden de Duitsers zich tot nu toe practisch nog niet bemoeid met het wegvoeren van fabrieksinstallaties, daar zij deze zoveel mogelijk dienstbaar hadden gemaakt ten behoeve van de Duitse oorlogsmachine, zij zagen nu zeer goed in, dat alles waarvan de geallieerden gebruik zouden kunnen maken tegen Duitsland, zo spoedig mogelijk moest worden afgevoerd of indien niet anders mogelijk, vernietigd.

Zo is het ook gegaan bij onze A.K.U. fabrieken in Arnhem en Ede.

Direct na de evacuatie van Arnhem begon op aanwijzing van het Rüstungsministerium het in beslagnemen van installaties uit de fabriek Arnhem, de fabriek Kleefse Waard en later ook de fabriek te Ede en wel door de volgende Duitse militaire onderdelen:

  • Het Feldwirtschaftskommando 10.
  • De Sonderstab Schulz.
  • De Heeresgruppe H
  • Het General-Kommando I Jagdcorps.
  • Qu/Mot.
  • Door verschillende formaties en  troepenonderdelen al of niet met toe- stemming van het F.W.K. 10.

De Heer Korsten van de Vereinigte Glanzstoff Fabriken, wist met medeweten van de directie, bij het Rüstungsministerium te bewerkstelligen, dat een groot deel onzer inventaris en bedrijfsvoorraden werd gezonden naar enkele opslagplaatsen in Duitsland.

Natuurlijk probeerde onze Directie, geassisteerd door in Velp woonachtige of daarheen geëvacueerde personeelsleden, zo goed mogelijk op de hoogte te komen van hetgeen zich in onze fabrieken afspeelde en van de plaatsen, waarheen onze eigendommen verzonden werden. De zogenaamde "Wacht" werd ingesteld. Hierdoor beschikten wij bij de bevrijding over enkele adressen in Duitsland, waar zich misschien A.K.U. goederen konden bevinden.

De demontage begon tamelijk ordelijk door het F.W.K. 10 te Dieren, maar deze werd herhaaldelijk doorkruist, door de reeds bovengenoemde troepenonderdelen.

Zo kwam b.v. de Heeresgruppe H. die het voornamelijk voorzien had op werktuigmachines en onderdelen voor vracht- wagens voor reparatiewerkplaatsen in het directe gevechtsgebied.

De magazijnvoorraad van de fabriek Kleefse Waard, waarvan practisch alles nog aanwezig was in October 1944, werd plotseling aangesproken door de Sonderstab Schulz, die met enige honderden, voornamelijk uit de Lijmers gevorderde paarden en wagens kwam, om deze af te voeren. De goederen werden gebracht naar Elten en opgeslagen in een steenoven. De geallieerde vliegers, die deze transporten natuurlijk hadden waargenomen, bombardeerden kort daarna de opslagplaats, waarbij het grootste deel verloren ging. Het resterende gedeelte werd doorgezonden naar de Vereinigte Glanzstoff Fabriken te Obernburg am Main. Het F.W.K. 10 opereerde van October 1944 af tot en met Maart 1945. Hier tussendoor organiseerden nog div. troepen onderdelen voor de O.T., SS, NSKK, de partij en de hospitalen. Wat er bij de bevrijdingl nog is overgebleven was bitter weinig. In Ede heeft het weghalen zich voornamelijk bepaald tot magazijnvoorraden door het F.W.K. 10 uit Dieren.

 

DE RESTITUTIE

Hoe het terugkwam

Na de bevrijding op 5 Mei 1945, kon worden begonnen met de voorbereiding van het terugvoeren van de uit Nederland weggevoerde materialen, voor zover deze nog te achterhalen waren.

Op 17 April 1945 werd door de Raad van Ministers van de Nederlandse Regering te Londen besloten, een Commissaris- Generaal voor de Nederlandse Economische Belangen in Duitsland te benoemen. Dit Commissariaat Generaal kreeg o.a. de zorg voor het terugverkrijgen van de uit Nederland weggevoerde goederen. Het Commissariaat kwam te ressorteren onder de Minister van Handel en Nijverheid. Tot Cömmissaris Generaal werd op 18 April 1945 benoemd de Res. Kolonel voor Algemene Dienst W. Ch. Posthumus Meyes.

Het Commissariaat kreeg tevens de taak van het beheer van de Nederlandse eigendommen in Duitsland opgedragen. In de zomer en herfst van 1945 werd te Amsterdam, het voor de opgedragen taak van het C.G.R. (Commissariaat Generaal Recuperatie) benodigde apparaat, opgebouwd, terwijl anderzijds maatregelen werden genomen om de gewenste gegevens te verzamelen, voor het terugvoeren van de uit Nederland afkomstige goederen.

Op 1 November 1945 legde de Kolonel Posthumus Meyes zijn functie neer. Tot zijn opvolger werd benoemd de Kolonel Ir. L. F. OUo.

Tot hoofd van de afdeling I (restitutie) werd de Heer Dienske benoemd, terwijl de Heer Rutgers v. d. Loeff hoofd werd van de afdeling beheer (property control) .

Zoals vele andere firma's in Nederland kunnen ook wij bij de A.K.U. terugzien op een zeer innig contact met het C.G.R.

Onder leiding van Jhr. v. d. Bosch, werd bij de A.K.U. de afdeling "relooting" opgericht (afd. D. R.)

De Heer Joostema kreeg de dagelijkse leiding in handen totdat ook hij weer tot zijn normale werkzaamheden werd teruggeroepen.

Deze afdeling hield zich in het begin bezig met het zoveel mogelijk verzamelen van gegevens over de gevorderde goederen (elke afdeling verstrekte inlichtingen over verdwenen machines of voorraden), terwijl nu tevens de door "de wacht" gemaakte notities uitstekend van pas kwamen en nauwkeurig werden uitgewerkt.

Tegelijkertijd behoorde tot deze afdeling de taak, om te trachten, ook de eventueel in Nederland door de Duitsers achtergelaten goederen en machines, terug te vinden. Wij hebben ongeveer een jaar lang in Nederland gerechercheerd en zijn in die tijd tot alleszins bevredigende resultaten gekomen. Belangrijke goederen werden teruggevonden in Groningen, Stadskanaal, Zwolle, Zutphen alsook in Twenthe en andere plaatsen. Ook in de omgeving van Arnhem werden nog verschillende A.K.U.-eigendommen opgespoord.

Inmiddels zat iedereen met ongeduld te wachten op berichten van de Geallieerde bestuursraad in Duitsland, wanneer een begin zou kunnen worden gemaakt, met de restitutie van de Nederlandse eigendommen.

Duitsland had op alle fronten verloren. Op 8 Mei 1945 kwam de onvoorwaardelijke overgave, (unconditional surrender).

Dit hield ook in, dat de bezettende mogendheden volledig verantwoordelijk werden voor de Duitsers. Zij hadden te zorgen, dat de Duitsers verder zouden kunnen leven. Dit had vaak vergaande gevolgen, die lang niet altijd begrepen werden door de vroegere bezette landen, die schadeloosstelling wilden hebben.

Het ineenstorten van het Nazi-regime, waarbij partij en regering zo nauw ver. bonden waren, had tot gevolg, dat er geen Duitse regering meer was, die de verantwoording voor de handhaving van de orde, het bestuur van het land en de uitvoering van de eisen van de overwinnende machten op zich kon nemen.

De bezettende mogendheden kregen hierdoor in Duitsland de absolute macht. Aan de grote chaos, die er nu in Duitsland heerste en welke eerst weer in goede banen geleid moest worden, moet het lange uitblijven van de restitutiebepalingen worden toegeschreven. In afwachting hiervan werden door ons aanvraagformulieren, z.g. applications, voor restitutie ingevuld. Hierop werd voor elke verdwenen machine of partij goederen vermeld, hoe de desbetreffende machine was weggevoerd of gevor- derd b.v. onder dwang en zo mogelijk waar deze zich in Duitsland zou kunnen bevinden.

De afdeling D.R. is met het verzamelen, van alle bij ons weggehaalde goederen op applications, enige maanden druk geweest.

image004Behalve de gegevens, die wij door "de wacht" verkregen hadden, kregen wij van geheel andere zijde nog een zeer belangrijke vingerwijzing voor het opsporen van onze goederen. De Heer G. J. Bartels, aardappelhandelaar te Coevorden, deelde ons op 20 October 1945 mede; dat hij ons zou kunnen zeggen, waar onze machines zich bevonden. Bij onderzoek bleek, dat hij in het bezit was van het gehele archief van het F.W.K. 10 uit Dieren, hetwelk bij hem op de zolder was achtergelaten. Vooral voor ons en verschillende andere fabrieken uit Arnhem en omgeving waren dit zeer belangrijke aanwijzingen. Helaas bleek later bij onderzoek in Duitsland, dat de wagons die door het F. W.K. 10 waren afgezonden lang niet altijd op de aangegeven plaats waren aangekomen. Oorzaak hiervan was, dat door de geallieerde bombardementen onderweg reeds transporten verloren gingen of zoals ook heel vaak is voorgekomen, een spoorlijn onbruikbaar geworden was, waardoor de wagon bleef steken en soms honderden kilometers verder naar een "Notempfänger" doorgezonden was.

De door ons gemaakte applications werden ingezonden naar het C.G.R. te Amsterdam, die deze weer indeelde voor de verschillende zones in Duitsland.

De Franse regering gaf als eerste toestemming enkele Nederlandse officieren naar de Franse bezettingszone van Duitsland te zenden ter opsporing en in veiligheid brengen van Nederlandse vermogensbestanddelen. Dit geschiedde op 10 October 1945.

Op 7 November 1945 volgde een uitnodiging van de Amerikanen terwijl de Engelse autoriteiten de Amerikanen op de voet volgden. De Russen volgden ook de officiële vastgestelde regels met dat verschil, dat de feitelijke opsporing en indentificatie geschiedde door Russische officieren.

Daar er nog geen definitieve restitutie. regels waren vastgesteld, werd een .,interum procedure" toegepast. (De definitieve restitutieregels werden op 21 Januari 1946 te Berlijn vastgesteld). Daar de restitutieregels vrij uitgebreid zijn, willen wij in het kort weergeven, waar zij in hoofdzaak op neer kwamen. Goederen zijn alleen restituabel wanneer zij indentificeerbaar zijn en "by force" uit Nederland zijn weggevoerd.

image006Bij het terugzenden naar Nederland moet Duitsland de transportkosten dragen tot aan de Nederlands.Duitse grens. De Geallieerden gaven zoveel mogelijk medewerking bij het ter beschikking stellen van spoorwegwagons om de teruggevonden goederen terug te kunnen zenden.

De Restitutie kon beginnen. Maar hoe kon men nu de goederen terugvinden? De bezettende mogendheden hadden wel een order uitgevaardigd (general order 6), waarbij de Duitsers werden verplicht, alle goederen, die zij gedurende de oorlog in hun bezit hadden gekregen en welke afkomstig waren uit de door de Duitsers bezette gebieden, te melden. Er kwamen heel wat aanmeldingen binnen maar veelal waren het waardeloze dingen die genoemd werden. Men was dus veelal op de reeds bekende gegevens en op speuren aangewezen.

Nadat het C.G.R. reeds verschillende officieren naar Duitsland had gezonden, werd door hen ook een beroep op het bedrijfsleven gedaan, om in C.G.R. verband enkele medewerkers ter beschikking te stellen, om verschillende grote partijen materiaal te indentificeren en naar Holland terug te zenden. Zo ging voor de A.K.U. de Heer Vissers als civiel officier naar de Amerikaanse zone van Duitsland om de terugzending te regelen van de in Obernburg am Main opgeslagen goederen.

Groot was dan ook de vreugde, toen op 12 April  1946 het s.s. Allemannia aankwam op de Kleefse Waard met de eerste uit Duitsland teruggekomen A.K.U. goederen, spoedig gevolgd door een tweede zending uit Obernburg.

Op 19 April 1946 arriveerde het s.s. Pelikaan met een weliswaar kleinere maar toch niet minder belangrijke zending. Deze partijen werden nog gevolgd door een zending van 24 wagons diverse belangrijke materialen uit Himmelkron (gelegen in de buurt van Kulmbach); aankomst in Arnhem op 31 Mei 1946 en 10 en 4 wagons inhoudende rayonvezel en garens uit Hof, aangekomen in Arnhem op 22 Juli 1946 en 19 Aug. 1946. Inmiddels was op 15 Juli 1946 ook de Heer Van Beek als civiel officier naar Duitsland vertrokken, om het terugvoeren van ook zeer belangrijke transporten uit de Engelse zone te regelen. Op 29 Juli 1946 arriveerden op de Kleefse Waard 4 wagons met conemachines en spinpompen uit Lennep, terwijl uit Mühlheim per m.s. Johan Wilp, o.a. een partij electromotoren met dubbele as-einden, aankwam.

Het C.G.R. had tussentijds nog twee scheepjes met electromotoren, lood, instrumenten, rayon garens en electrisch materiaal, afkomstig uit de Britse zone aan ons afgezonden. Deze arriveerden 6 en 18 Mei 1946 in Arnhem. Tevens ontvingen wij op 22 Mei 1946 nog 6 wagons met 104 ton caustic-soda afkomstig uit Wuppertal-Bánnen, via deze instantie.

Verder kwam er uit EIsterberg in de Russische zone van Duitsland op resp. 18 Juni en 11 Juli 1946 nog een zeer belangrijk transport van in totaal 12 wagons inhoudende, o.a. 148 conemachines, electromotoren, laboratorium instrumenten en PIV (vertragings) kasten, hetwelk ook door bemiddeling van het C.G.R. was teruggevoerd.

Enkele der bescheiden nodig voor het terugbrengen van ons goed

Door het Commissariaat Generaal werd ook een beroep gedaan op het bedrijfsleven om mensen ter beschikking te stellen voor Duitsland, die niet alleen de belangen van hun eigen firma behartigden maar tevens voor andere bedrijven zouden werken. En zo werd dan ondergetekende door de A.K.U.-directie aangewezen. Thans volgt zijn persoonlijk verslag. Ik vertrok op 1 October 1946 naar Bad-Salzuflen, alwaar ik mij moest melden. Van hieruit werd ik toegevoegd aan het C.G.R. detachement Hannover, ressorterende onder de Engelse eenheid R.D.R. (Reparations, Deliveries and Restitution Division).

Na mij bij de desbetreffende instanties gemeld te hebben, werd mij medegedeeld, dat ik van alle, door het Engelse gezag te geven faciliteiten, gebruik mocht maken. Ik werd ondergebracht in een Engelse T-force officiers' mess.

Tevens kreeg ik te horen, dat ik nooit een Duitse fabriek zou mogen bezoeken, zonder dat ik hiervan voorkennis had gegeven aan de desbetreffende Engelse instanties. In de tijd, dat ik met de Engelsen heb mogen samenwerken, is de medewerking van die zijde altijd buitengewoon goed geweest. Het duurde dan ook niet lang, of wij kregen een "investigation" officier toegewezen, die overal mee heen ging, waar wij dat maar wensten. Vaak ook liet men het gehele onderzoek aan ons zelf over. Vaak is gelukt, wat formeel niet mogelijk was. Een voorbeeld hiervan is het volgende: In de Harz bij een loodsmelterij was een grote partij lood terecht gekomen, o.a. van onze fabriek. Het lood was daar omgesmolten en dus niet meer indentifi- ceerbaar. Er lag echter nog een grote partij omgesmolten lood op voorraad.

Wij konden vaststellen, dat deze partij hier was aangekomen uit Holland, terwijl ook nog de smeltrapporten aanwezig bleken te zijn. De directie van deze fabriek gaf ook toe de partijen lood ontvangen te hebben. Zij merkte hierbij op, dat zij er niet om gevraagd had.

Na deze vaststaande feiten, werd dan ook de gehele partij lood voor terugzending naar Holland vrijgegeven.

Uit de aard der zaak, zijn de meeste uit Holland afkomstige goederen in de Engelse zone terecht gekomen, daar hier het overgrote deel der Duitse industrie gevestigd was, die aan voortdurende geallieerde bombardementen bloot stond. Het lag dus voor de hand dat, indien de Duitsers iets dringend nodig hadden, dit zeer snel uit Holland betrokken kon worden.

Twee en een half jaar lang heb ik mogen meewerken om de goederen op te sporen. Honderden aanvragen voor restitutie hebben wij mogen afhandelen, waarbij wij dan tevens de gelegenheid kregen om nieuwe vondsten te ontdekken. Misschien hebben wij hierbij geluk gehad, maar, dat het met succes geweest is, daarvan ben ik zeker.Enkele "gevallen" van interessante A.K.U.-zaken, volgen hier. Ik moest in Dannnenberg, gelegen ten Oosten van Hamburg, vlak bij de Russische zone, een claim onderzoeken op vier wagons, inhoudende cone-machines en afsluiters, welke door het F.W.K. 10 van Arnhem waren afgezonden aan de firma Roges te Dannenberg, waarvan de wagonnummers bekend waren. Bij het onderzoek bleek mij, dat er in Dannenberg geen firma Roges te vinden was. Tot aan de bezetting van Duitsland toe, had de firma Roges hier een kantoor gevestigd gehad, van waaruit zij de diverse wagons met "räumungsgut" naar de geïnteresseerde fabrieken in Duitsland doorzonden. Bij de Wagendienst van de Duitse spoorwegen in Dannenberg, heb ik inderdaad kunnen constateren, dat de desbetreffende vier wagons waren aangekomen en dat deze waren doorgezonden naar Varel bij Wilhelmshafen in de provincie Oldenburg. In Varel aangekomen, heb ik wederom de vier wagonnummers terug kunnen vinden in de boeken van de Duitse spoorwegen. Zij waren op 15 Maart 1945 aangekomen en dezelfde dag doorgezonden naar een machinefabriek ter plaatse. image008Bij de fabriek heb ik geïnformeerd of zij deze wagons hadden ontvangen. Zij vertelden mij, dat alles wat zij aan "räumungsgut" hadden ontvangen, reeds was weggehaald. Hij "meende'" (de directeur), dat er nog 26 spinpompen zouden liggen, die hij naar zijn zeggen, ook had gemeld (General order Nr. 6) maar daar nooit meer iets over had vernomen. Zij gaven toe de vier wagons ontvangen te hebben. Bij mijn onderzoek in de fabriek heb ik in een afgesloten opslagruimte de volgende materialen van de A.K.U. aangetroffen:

  • 26 cone-machines (de z.g. spinpompen);
  • ca. 20.000 kg. tandwielen van spinmachines,
  • ca. 10.000 kg. loden afsluiters,
  • ca. 5.000 kg. stenen afsluiters,
  • ca. 3.000 kg. glasbuizen.

Ik heb voor deze hoeveelheden release (vrijgave) aangevraagd bij de R.D.R. autoriteiten en deze ook gekregen.

Bij het verladen van deze goederen kwam er nog een bergruimte te voorschijn,. waarin nog veel meer goederen van ons gelegen waren. Deze heb ik maar tegelijkertijd mee verzonden. Tezamen was dit + 50 ton materiaal. Tijdens het laden, was het mij echter opgevallen, dat ergens, in een nogal donkere gang van deze fabriek een partij loden afsluiters stond opgestapeld, die men in deze fabriek m.i. niet kon gebruiken. Er werd mij medegedeeld, dat dit geen Roges-goederen waren.

Eerste “zending teruggebrachte goederen bestaande uit electromotoren, conemachines, chemicaliuen en cellulose per s.s. Ällemannia”op 12 April 1946.

Ik heb bij terugkomst in Hannover aan de Engelse R.D.R. officier gevraagd of zij bereid waren nogmaals met mij naar deze fabriek toe te gaan, daar ik vermoedde, dat er nog meer materiaal verborgen was. Dit werd mij toegestaan. Bij aankomst hebben wij ons begeven naar de plaats waar de afsluiters stonden en gevraagd of zij van de firma waren. Ons werd medegedeeld, dat deze aan de Kriegsmarinewerf te Wilhelmshafen toebehoorden Bij het zorgvuldig bekijken, bleek, dat een der afsluiters nog een label bevatte met het opschrift van een Nederlandse firma en daaronder met inkt de naam A.K.U. Arnhem, geschreven. Na dit resultaat zijn wij hier nog verder gaan zoeken en wij haalden in totaal nog het volgende te voorschijn:

  • 139 grote loden afsluiters;
  • 39 kruimelbakken vol geladen met onderdelen uit het magazijn;
  • 17 PIV kasten allen gemerkt met het bekende AKU plaatje;
  • 4 fundatie platen voor centrifugaal pompen.

Dit was bij elkaar nog eens ongeveer 35 ton materiaal. Ook voor deze partij hebben de Engelse instanties vrijwel onmiddellijk vrij gave gegeven. Opgemerkt zij nog, dat ik bij mijn zoeken in het wagonboek van de Duitse spoorwegen te Dannenberg, behalve de vier door mij gezochte wagons, nog 586 andere wagonnummers vond, welke waren bestemd voor Roges, Dannenberg, bevattende "räumungsgut" uit Holland. Alle ontvangen tussen November 1944 en April 1945.

U kunt nagaan, wat hierna een werk verzet is om deze wagons op te sporen en na te gaan of de goederen nog te vinden waren.

Een ander geval, dat minder goed afliep, was dat van een onzer autobussen uit Ede. Deze was terechtgekomen in Hannover en verkocht naar Aurich, alwaar de bus dienst deed voor het vervoer van Duitse arbeiders. Hoewel wij konden bewijzen, dat de bus Nederlands bezit was, weigerde de voor dit district verantwoordelijke Engelsman de bus terug te geven, daar hij geen andere hiervoor in de plaats ter beschikking kon stellen. Wat voor hem nog belangrijker was, was dit, dat hij in zijn district geen onrust wenste. Hoewel wij hiervoor begrip hadden, deed het ons in die dagen toch een tikje vreemd aan. Beter verliep het, met onze Kromhout trekker, ook afkomstig uit de garage te Ede. Van een dump, zich bevindende achter een kazerne in Wolfenbüttel (in de buurt van Braunschweig), hadden de Amerikanen een inventarislijst samen. gesteld en deze doorgezonden naar de desbetreffende instanties. Een afschrift hiervan, kwam ter bestemde plaats in Holland. Er werd uit deze lijst ook een claim opgemaakt voor onze Kromhout. Bij het eerste onderzoek bleek mij, dat er in Wolfenbüttel inderdaad een dump was geweest achter de Ahzümer Busch. kazerne. In deze dump was echter niets meer aanwezig, dan wat afvalmateriaal. De dienstdoende Engelse sergeant kon mij alleen vertellen, dat de Amerikanen destijds deze oorlogsbuitwagens hadden geregistreerd. Wat er van geworden was wist hij niet. Daar ik veronderstelde, dat de auto's wel verkocht zouden zijn, ging ik op goed geluk naar het Strassenverkehrsamt in Wolfenbüttel en keek daar alle geregistreerde auto's na, maar de Kromhout was er niet bij. Ditzelfde heb ik nog eens herhaald in Braunschweig, doch ook hier heb ik hem niet kunnen terugvinden. Vervolgens ben ik in Wolfenbüttel naar de Burgemeester gegaan, bij wie ik te weten kwam, wie de auto's, voordat zij waren verkocht, had getaxeerd. Dit bleek een zekere Hasenbalg te zijn, die in Braunschweig woonde. De heer Hasenbalg, zo bleek mij, had inderdaad een "Schätsungsurkunde", waarop echter alleen maar vermeld stond: "Kromhout LKW. Sattelschlep. per", geschat op RM 1260.-. Hij kon mij niet vertellen wie de trekker gekocht had. Dit werd ik echter gewaar hij het Mil. Gov. (Military Government) in Braunschweig. De trekker zou zich bevinden bij een zekere Götze, Breiten. berg 237 te Bündheim (Harz). Bij de Heer Götze heb ik inderdaad de trekker aangetroffen en de motor. nummers klopten. Het was onze Krom- houttrekker, er zat zelfs nog een plaatje aan de binnenkant van 't linker portier met opschrift: Algemene Kunstzijde Unie N.V.

U zult zich kunnen indenken, hoe verheugd een mens is als hij na anderhalve dag zoeken en jagen een stuk Nederlands A.K.U.bezit heeft teruggevonden. Het resultaat was voor mij in elk geval bevredigend.

Na bij de Engelse autoriteiten een ,.release" te hebben aangevraagd, werd de trekker teruggezonden naar Arnhem en heeft, na gerevideerd te zijn, nog jarenlang tussen Ede en Emmercompascuum gelopen voor het vervoer van onze producten.

Lang niet alles is achterhaald en teruggebracht kunnen worden, maar wel is duidelijk geworden, dat de opgespoorde en thuisgevoerde machines en materialen veel hebben bijgedragen tot het snelle herstel van onze fabrieken en bedrijven na de dag waarop tien jaar geleden onze bevrijding een feit werd.

B. G. SAALMINK

© 2016 Historisch Museum Ede. All Rights Reserved.

Design: @Magic