enka

Merkwaardigheden en bijzonderheden in het bedrijf tijdens de oorlogsjaren.

Het bombardement & De plundering.

Het is niet te verwonderen, dat door de oorlogs- en bezettingsomstandigheden toestanden optraden, die geheel buiten de normale omstandigheden ondenkbaar waren.

Luchtbescherming.  

In de eerste plaats moeten dan de luchtbeschermingsvoorschriften worden genoemd. Nadat wij reeds in 1939 tot gehele verduistering van de fabrieksruimten waren overgegaan en dus dag en nacht in de afdelingen met kunstlicht moesten werken, werden in 1940  5 schuilkelders en 4 onderkomens gebouwd, terwijl een lange schuilloopgraaf en een 3-tal schuillokalen onder de hoektoren der fabriek werden ingericht met behulp van zandkisten en zakken. Één onderkomen werd in de ruimte onder de schoorsteen ondergebracht. Onder onderkomen wordt verstaan een beveiligde schuilruimte, waarin de hulpdiensten voor redding werden ondergebracht b.v. brandweer, reddingsbrigade, politie, gasverkenners, technische diensten enz. Onder het nieuwe gedeelte der melkwolfabriek werd een speciale schuilkelder gebouwd, die vanaf einde 1943 voor de reddingsbrigade en verbandplaats werd ingericht. Dit werd het centrale punt van de geneeskundige dienst, omdat de verbandkamer, middenin de fabriek gelegen, niet voldoende te beveiligen was. Voor de kantoorbeambten werd een gedeelte van de hal van het kantoorgebouw als schuilplaats ingericht. De onderkomens werden door een afzonderlijke telefonist verbonden met de telefooncentrale, waarin de staf van de luchtbeschermingsdienst zitting hield. Op het dak van het poortgebouw was een glazen huisje als uitkijkpost geplaatst met telefoonverbinding en verdere benodigdheden voor oriëntering en richtingsbepaling. Een versterkte schuilplaats was voor de waarnemers ingericht. De wachtpost was oorspronkelijk alleen des avonds en des nachts bemand, doch vanaf einde 1939 ook overdag door 2 of 3 man. Hoofd van de luchtbeschermingsdienst was de heer Stoltenhoff. Nadat, naar gelang van de omstandigheden in den beginne enige enigszins afwijkende voorschriften hadden bestaan, voltrok zich de alarmering tenslotte op de volgende wijze:

Bij naderende vliegtuigformaties (vastgesteld door eigen waarneming of door waarschuwing door L.B. fabriek Arnhem of de gemeentelijke L.B.L.) gaf de wachtdienst per telefoon aan de telefoniste of portier door: "vooralarm", waarop van het oproepsignaal in alle fabrieksruimten de 5 onderste lampen worden ontstoken. Het einde van het vooralarm werd gegeven door de 2 bovenste signaallampen. Was het luchtgevaar zodanig, dat het personeel in de schuilkelder moest gaan, dan liet de telefoniste of portier op aanwijzing van de luchtwacht alle signaallampen ontsteken en een sirene loeien die in de centrale, waarop de machinist de spanning op het lichtnet terugzette op 40 Volt. De fabriekslokaliteiten werden daardoor verduisterd, zodat het werken er onmogelijk werd. Door het opbrengen van de lichtspanning op aanwijzing van de luchtwacht werd het einde van het luchtgevaar aangegeven. In het kantoorgebouw, dat niet verduisterd was, werd door een sirene de alarmtoestand aangegeven. Dit systeem van alarmeringen heeft goed voldaan. Veel moeite werd veroorzaakt, doordat vele arbeiders zich in de schuilruimten onder de torens niet veilig achten en de voorkeur gaven aan het lopen naar buiten. Tenslotte hebben wij een lange schuilloopgraaf ten oosten van de fabriek voor hen gegraven. Behalve de bovengenoemde bewaking, die ook moest letten op de naleving van de verduisteringsmaatregelen der fabriek, werden op de tijden, dat in de lokalen niet gewerkt werd (b.v. 's zondags) door speciale bewakers uit het personeel gekozen, wacht gelopen.

Des nachts was steeds een der leden van de staf of andere hogere beambten of hoofdmeesters in de fabriek aanwezig als "hoofd van dienst", terwijl ook des Zondags steeds een meester "dienst" had. De totalen kosten besteed aan luchtbescherming, met inbegrip van de inrichtingen der schuilkelders, onderkomens signaalsysteem en bewakingsdienst, hebben een bedrag uitgemaakt van ruim f 187.000.-, gerekend vanaf 1939 tot September 1944. In de eerste oorlogsjaren, toen de dagdienstafdelingen nog niet verduisterd waren, werden de werktijden geregeld naar de verduisteringstijden. Elke 14 dagen traden wijzigingen op. De eerste kennismaking met bommen en granaten vond plaats in de nacht van 27 augustus 1942 toen tegen 23:30 uur een paar vliegerbommen (vermoedelijk luchtmijnen) in de uiterste zuidwest hoek van het fabrieksterrein vielen, waardoor niet alleen het woonhuis van Dr. Kaatelein geheel werd verwoest, doch ook grote schade werd aangericht in de huizen bewoond door de heren, v.d. Kroon, Ziegier, Widra, v. Glabbeek en gebouw de Reehorst. De schade voor de fabriek bestond hoofdzakelijk uit de vernieling van circa 1200 vensterruiten en shedramen, waardoor plotseling een zee van licht uitstraalde. Met hulp van een groot aantal textieljongens werden de ramen zo goed mogelijk met papier enz. gedicht, zodat na een uur de fabriek weer geheel was verduisterd. De bommen vernietigden een groot aantal bomen en het hekwerk van de fabrieksomheining. Tot 10 April 1943 bestond het alarmsignaal o.a. uit het doen flikkeren van alle signaallampen. In de nacht van 9 op 10 April 1943 werd door ons alarm gemaakt, toen een groot aantal Engelse vliegers overtrokken. Aan de voorzijde der fabriek in het textiellaboratorium was een klein ruitje gebroken, waardoor indirect de lichtschijnsels van het alarm naar buiten schenen. Dit werd opgemerkt door de Duitse luchtdienst met het gevolg, dat, na tevoren telefonische mededeling te hebben gedaan, de kommandeur der marine aan de Ortskommandant een schrijven richtte, waarin wij ervan beschuldigd werden met een zaklantaarn signalen te hebben gegeven aan vijandelijke vliegers. Na herhaalde bezoeken van de politie instanties, een bezoek aan der Ortskommandant en besprekingen met den Marinekommandeur door schrijver dezes, werd het misverstand in der minne opgelost. Veiligheidshalve hebben wij de flikkersignalen stopgezet. Begin 1944 moesten wij op order van de Duitse autoriteiten de centrale, de transformatorenstations en het schakelhuis door een voorgebouwde dubbele muur (met zand opgevuld) tegen bommenwerking beschermen. Deze muren hebben later goed werk gedaan. In de loop van 1943 werden door de Duitse militairen nagenoeg alle prikkeldraden van onze terreinomrastering verwijderd, teneinde te worden gebruikt voor militairen doeleinden. Protesten bij bevoegde zijde hadden geen resultaten. De bewaking van de fabriek werd hierdoor in hoge mate bemoeilijkt.

Nagenoeg al onze autobussen en vrachtwagens werden door de Duitser "sichergestellt" en stonden onder geregelde controle. Elke reparatie moest aan de militaire autoriteiten worden gemeld, evenals elke buitengebruikstelling. De Duitsers moesten steeds op de hoogte zijn van de plaats waar op elk uur van de dag onze auto's aanwezig waren en zij deden af en toe steekproeven ter controle. April 1944 werden de opgelegde autobussen in beslag genomen en weggehaald. Toen in September 1944 de intocht van de geallieerde legers in het zuiden van ons land goede vorderingen maakte en in 't bijzonder na de beroemde "Dolle Dinsdag", moesten we van de Duitsers een einde aan de productie maken. Op 14 September 1944 werd de laatste viscose gedrenkt. Het was de bedoeling onzerzijds om de gedrenkte viscoses geheel op te spinnen en de zijde tot het eindproduct af te werken. Het heeft echter niet zo zullen zijn. Nadat in de morgen van Zondag, 17 September 1944, eerst zwermen Engelse vliegtuigen over Ede kwamen en een paar jagers de beide locomotieven, die op het spoorwegemplacement stonden, met mitrailleurvuur lek hadden geschoten, viel om 11 :37 uur de eerste raketbom in de tuin van schrijver dezes, gevolgd door een regen van bommen op de fabriek en het fabrieksterrein. Binnen 10 minuten tijds werden 86 bommen uitgeworpen. Blijkbaar is het de bedoeling geweest om onze centrale buiten werking te stellen. Het was een geluk, dat het op een zondag geschiedde, want daardoor was slechts weinig personeel in de fabriek. De luchtbeschermingsdienst had op tijd alarm gemaakt, zodat een ieder zich in veiligheid heeft kunnen stellen. Het is daaraan te danken, dat er geen slachtoffers zijn gevallen, behalve één spinner, die, tegen de uitdrukkelijke voorschriften en herhaalde waarschuwingen in, zijn veiligheid op het vrije veld ten Oosten van de fabriek heeft gezocht en daar door een bomscherf dodelijk werd getroffen. De 17 September was voor Ede een zeer sombere dag, want de bombardementen bleven die dag niet tot 's-morgens beperkt. Ook des namiddags werden, vooral bij en op de stationsweg en de kazernes, meerder bombardementen uitgevoerd, zodat het aantal slachtoffers onder de bevolking op 70 doden kwam te staan. De schade in het dorp en voornamelijk in het wooncomplex van de "woningbouw" was zeer aanzienlijk. Vele woningen werden totaal vernield, waarbij verscheidene leden van de fabriek dakloos werden. Voor de fabriek was de schade catastrofaal. Het ergste beschadigd was het technische magazijn, waarin brand was ontstaan, die zich snel uitbreidde door de vele brandbare artikelen als oliën, vetten, geïmpregneerde kurkschalen enz. Onmiddellijk werd met man en macht de brand bestreden, doch dit liet zich oorspronkelijk hopeloos aanzien, omdat door de bommen het gehele waterleidingnet onbruikbaar was geworden. Onze motorbrandspuit, die, nieuw geleverd, door gebrek aan benzine vooraf niet voldoende kon worden geprobeerd, nadat herhaalde wijzigingen aan de pomp en aan de zuigslangen nodig waren geweest, weigerde beslist water te geven. Met kunst en vliegwerk gelukte dit tenslotte. Direct was hulp ingeroepen van de Gemeentebrandweer en die van Bennekom en Lunteren, die spoedig met brandspuiten ter plaatse waren en zeer goed werk hebben verricht. De voorzorgsmaatregel, die wij reeds lange tijd tevoren hadden getroffen, om het waterniveau in het grote afval bassin tot een belangrijk hoger peil dan normaal op te voeren, bleek thans van groot belang te zijn. Alle bluswater moest hieraan worden onttrokken, zodat tenslotte de voorraad geheel was opgebruikt. De brand duurde tot laat in de avond met uitzondering van een stapel vrijwel ontoegankelijke geïmpregneerde kurkschalen en platen, die nog twee dagen smeulde en af en toe weer oplaaide. Hoofdzaak was het overslaan van de brand op de aangrenzende gebouwen te voorkomen. Het mannenkleedlokaal had direct ook vlam gevat, doordat een daar doorlopende gasleiding door een scherf was lek geworden. Het uittredende gas stak de dakgoot aan, waardoor het kleed- en schaftlokaal grotendeels uitbrandden. De lokalen van de geneeskundige dienst konden bijtijds worden ontruimd en bleven met veel moeite gespaard. De hoofdgasleiding werd direct gesloten. Het magazijn brandde volkomen uit. De ijzeren dakconstructie stortte tegen de avond in. De brand bleef tot deze afdelingen beperkt. Onder de door bommen beschadigde afdelingen moeten in het bijzonder genoemd worden:  

De perskamer.

De perskamer die door splinterbommen op het dak alle shedramen verloor en grote gaten in het dak en in de Noord en Oost muren kreeg. Het lokaal geleek één ruïne. De nog aanwezige stapels cellulose werden zo spoedig mogelijk naar elders gebracht om verdere beschadiging te voorkomen.  

De loogkamer.

Ook hier zeer grote dakschade, terwijl veel splinters en scherven gaten in leidingen en tanks hadden geslagen. Vele loog leidingen werden onherstelbaar vernietigd. Evenals in de perskamer maakte de vallende plafondbekleding van riet en gips een troosteloze indruk. Puin en nog eens puin!

Maalkamer.  

Van de maal kamer en mengkamer waren alleen vele shedramen gebroken en omlaag gekomen.

Binnenplaats.

Op de binnenplaats waren vele bommen gevallen, waardoor vooral een groot gat in de muur van het laboratorium in de kamer van de chef-chemicus erge schade veroorzaakte.

Electrische centrale.  

Het gebouw van de electrische centrale werd op verschillende plaatsen zwaar beschadigd. Gelukkig was het uitsluitend dakschade, doordat de splinterbommen (van circa 125 kg gewicht) direct bij aanraking van het dak explodeerde. De neerstortende ramen en dakbekleding veroorzaakten in de centrale grote schade.

De veiligheidsbeschermingskasten om de turbines en de schakelborden hebben alles uitstekend opgevangen. Schade aan pijpleidingen door scherven waren evenwel talrijk. Deze konden vrijwel alle weer gelast worden. Dit was voornamelijk in het ketelhuis bij ketel 8 en in de waterontijzeringsafdeling.  

De beschermingsmuur, die wij om de machinekamer hadden gebouwd, heeft veel scherven opgevangen, die zonder twijfel anders de machinerieën zouden hebben beschadigd. De boven de machinekamer liggende bedrijfskantoren leden veel glasschade. De inrichtingen werden door elkaar geworpen, waardoor grote wanorde ontstond. Door een bom in de electriciensafdeling moest deze geheel ontruimd worden, daar zij in één ruïne herschapen was.  

Hier was de schade belangrijk. Het transformatorgebouw op de binnenplaats kreeg een bom op het dak, waardoor de schakelinrichting werd verwoest, terwijl alle drie trafo's door scherven werden beschadigd. Verder was een voltreffer gekomen in het centrale magazijn van de fabrieksbrandweer op de binnenplaats, waardoor dit geheel uit elkaar geslagen werd evenals de daarnaast gelegen reparatiewerkplaats van transportwagens en de olieregeneratieafdeling. Alle reserve brand blusmiddelen, Minimax enz. waren verloren. Hiervan ondervonden wij bij de blusssing van de brand van het magazijn grote moeilijkheden. Ook de grote lagedruk stoom leidingen, die langs het brandweermagazijn liepen, werden zwaar beschadigd. Het dak van de bankwerkerij werd aan de Noordzijde van al zijn shed en andere ramen beroofd.  

Deze werden zo spoedig mogelijk door aluminium platen vervangen. De aanhoudende regens hadden de vloeren van de bankwerkerij dusdanig gedrenkt, dat deze blokjes vloer zich tot heuvels opzette en dan in elkaar stortte. De halve bankwerkerij werd zodoende van haar vloer beroofd. De zich aan het einde der oude twijnerij bevindende spoelenafsnijbaan kreeg een voltreffer, die ook het dak daarboven zwaar beschadigde. Door deze en nog een tweetal bommen, die bij de A-rij aan het einde dier twijnerij gaten in het dak sloegen, werd de uit eenheidsdeuren bestaande omheining onzer "egelopslagplaats" (spoelenconditioneling) totaal weggeslagen.

Een tweetal bommen als voltreffers bij het begin der A-rij in de twijnerij en een tweetal juist buiten de muur, benevens twee blindgangers tussen de twijnmachines, veroorzaakten onder de oude twijnmachines grote schade. Even later kom ik hierop nog nader terug. Ook vernietigde een voltreffer enige van onze nieuwste Rietertwijnmachines, die nog niet in bedrijf waren geweest. Het dak boven de Rietertwijnerij werd zwaar beschadigd en vrijwel geheel glasloos geslagen.  

Gezien de grote waarde dezer machines was naast de centrale ons eerste werk dit dak weer met aluminium platen dicht te maken. De nieuwe twijnerij werd hoofdzakelijk beschadigd door een bom, die het was en kleedlokaal der twijnjongens grotendeels wegsloeg en de muur tussen deze afdelingen en de twijnerij doorbrak. Ook maakten enkele grote scherven gaten boven de twijnmachines in de sheddaken. De bankwerkerij der twijnerij werd verwoest door een bom, die aan de buitenmuur dier afdeling neerkwam en de muur wegveegde. De spoelenafdeling aan de frontzijde der fabriek werd zwaar getroffen, ten dele door daktreffers en door bommen aan de buiten zijde van het gebouw. Veel dak- en glasschade. De afval blekerij werd gehavend door de bommen, die op het voorterrein der fabriek neerkwam en vrijwel alle ruiten uit die afdeling wegnam. De bommen, die aan de Oostzijde der fabriek vielen, hebben zowel van de Oost muur als de beide torengebouwen vrijwel alle ruiten gekraakt. Op verschillende andere plaatsten hebben bommen nog schade aangericht. Zo vielen in de doorgang van de binnenplaats 1 naar 2 een drietal neer, die de spoorrails en de ingang naar de conerij verwoesten. De magazijngebouwtjes op de binnenplaats 2 werden ook beschadigd door scherven. Deze drongen op ettelijke plaatsen dwars door de muren heen.  

Verscheidene brandspuithuisjes werden weggevaagd. Een daktreffer veroorzaakte nog een groot gat boven de schilderwerkplaats, die daardoor onbruikbaar werd en beschadigingen aan de belendende magazijnen ten gevolge had. Tenslotte nog een geluk bij een ongeluk, omdat onze oude en niet meer te moderniseren spoelenafbranderij bij de blekerij practisch geheel met de bodem werd gelijk gebombardeerd. Nu krijgen we hiervoor tenminste een betere inrichting!  

Met deze globale opgaaf zijn de voornaamste beschadigingen door het bombardement van 17 September 1944 aangegeven. Het zou echter niet hierbij blijven, want er volgden nog enige andere, echter minder heftige bombardementen. Deze waren hoofdzakelijk bestemd voor twee locomotieven, die reeds op 17 September kapot geschoten waren en daarna geplaatst waren op het rangeerterrein voor de twijnerij. Toen op 23 november drie bommen daarop werden gericht, die evenwel op onze Rieter- en oude twijnerij terechtkwamen, veroorzaakten deze weer grote schade aan de machines en daken. Zoals ik reeds zeide, hadden wij alles gedaan om zo gauw mogelijk de Rieterafdeling weer dicht te krijgen. Door de nieuwe bommen werd dit werk weer tenietgedaan. Alle aluminium platen vlogen van de daken en de machines werden weer blootgesteld aan de onophoudelijke regens. Tengevolge van deze en de vorige bommen waren er van de genoemde geheel nieuwe Rieters 6 totaal of grotendeels verwoest en van de overige zullen tenslotte nog 3 of 4 tot bruikbare machines gecombineerd kunnen worden. Tussen de oude- en de Rietermachines waren inmiddels 9 voltreffers en 2 blindgangers terechtgekomen. Toen het bleek, dat de locomotieven de doelwitten waren van de bommenwerpers hebben wij bij de Duitsers direct moeite gedaan die voor de fabriek vandaan te krijgen. Dit gelukte niet. Waarop wij volgens de regels der kunst gingen camoufleren. Bovendien trachten wij, met behulp van de ondergetekende", de Engelsen te laten weten, dat de locomotieven reeds kapot waren en het dus geen zin had er nog meer bommen op te gooien. Dit alles hielp ook niet, want nog tweemaal zijn er, zonder te raken, bommen op gegooid die wel aan de fabriek schade brachten. Ernstige schade veroorzaakte ook een bom, die op 23 November blijkbaar op onze afzuigschoorsteen bedoeld was. Hij was er juist naast en beschadigde de afzuigleidingen zeer zwaar; de muur van het spinnerijmagazijn werd weggedrukt en alle ramen van de instrumentmakerij uitgebroken. Deze afdeling ondervond daarvan veel schade. Later bleek, dat in de directe nabijheid van de schoorsteen nog twee blindgangers van 250 kg waren neergekomen. De laatste bomaanvallen, waardoor wij alleen veel glasschade en scherven door de daken kregen, hadden plaats op 24 Februari 1945 en op 24 Maart 1945 door 6 bommenwerpers.  

Deze laatste gooide 12 bommen achter en tegenover de fabriek. In totaal waren er 100 bommen op de fabriek geworpen, waarvan 21 in de fabrieksgebouwen terechtkwamen, 18 in de directe nabijheid der gebouwen en 8 blindgangers. De overige vielen op verder afgelegen gedeelten van het fabrieksterrein. Door de bommen werden 1088 m2 muur vernietigd 5902 m2 van de daken en 578 m2 vloeren en bestratingen en ettelijke duizenden glasruiten. Onze luchtbeschermingsuitkijkpost op het hoofdgebouw is door mitrailleurvuur aangevallen op 21 October 1944. Geen grote schade. Nu wij het toch over bommen hebben moge worden vermeld, dat op 28 Maart 1945 een V1 ontplofte tegenover de fabriek in de Sysselt. We kregen daardoor wederom belangrijke glasschade. Toen het einde in zicht was, vervoerden de Duitsers grote hoeveelheden gestolen granen met spoorwagens naar Rotterdam. Toen op 1 April 1945 een drietal hiermee geladen wagons op het rangeerterrein bij de fabriek stonden, beschoten de Engelsen deze vanuit de Betuwe met vrij zwaar geschut. Geen enkel schot was raak. Een paar granaten kwamen op het fabrieksterrein terecht en beschadigden de spoorrails, terwijl bij de schrijver dezes een paar in de tuin, boom-, muur-, en glasschade in het huis veroorzaakten. Als finale van de bombardementen kregen we op de dag der bevrijding 17 April 1945 enige salvo's van de Engelse tanks in het fabrieksfront te doorstaan, die blijkbaar gemunt waren op een aantal Duitsers, die een schuilplaats voor de fabriek hadden betrokken. Het gebouw kreeg daardoor nog aanmerkelijke steen- en glasschade. Hiermee was een eindelijk een einde gekomen aan het explosieve gedoe gekomen, maar we hadden er dan ook zo langzamerhand meer dan genoeg van gekregen. Over de wederwaardigheden op de dag van het grote bombardement op 17 september 1944 valt nog wel het een en ander te vermelden:

Toen de brand van het magazijn in volle gloed was, verscheen een vrij grote groep Duitse militairen, zogenaamd om hulp te verlenen. Zij zetten posten uit, waardoor wij in onze bewegingsvrijheid gehinderd werden. Geholpen hebben zij niet het minst, doch zij hebben ons integendeel aan grote gevaren blootgesteld. Zoals reeds is gezegd, kwamen in de namiddag weer grote groepen bommenwerpers, die nu de overzijde van de spoorbaan bestookten. De nabijgelegen Barbarastichting (hoofdbureau van de S.S.), de R.K kerk met scholen, kazernes en vele andere gebouwen in Ede werden heftig aangevallen. Enkele onzer "moffen" nu hadden de moed om met hun geweren, wanneer zij over de fabriek kwamen, te schieten. Gelukkig verbood een officier op ons aandringen om hiermee door te gaan. Op zichzelf was het voor onze mensen een vrij onaangename situatie, dat, terwijl wij de handen vol hadden met bluswerk, wij telkens weer de schuilplaatsen moesten opzoeken, zodra weer bommenwerpers overkwamen en in de nabijheid van de fabriek bommen gooiden. Het blussen werd daardoor telkens onderbroken. Ede heeft op die dag, veel verliezen geleden. Op 20 September werden in een gemeenschappelijk graf 70 inwoners ter aarde besteld. Van ons personeel viel hierbij, behalve de reeds genoemde spinner M. van Manen, onze beambte W. Zittersteijn, aan wie wij een trouwe medewerker verloren. Ik moge hier nog vermelden, dat later ten gevolge van het neerkomen van een V1, de "sociale" voorman Arendsen met zijn familie werd gedood. Behalve de vele bommen vonden wij op onze terreinen en zelfs ook midden in het zoutmagazijn en tussen twijnmachines sporen van blindgangers. Deze werden later onder toezicht van leden van een "sprengkommando" uitgegraven, waarbij bleek dat deze in de regel oa: 4 a 4,5 meter in de grond waren gedrongen.Een grote van 250 kg heeft het klaargespeeld om onder de grond dwars door een benzinetank (gelukkig leeg) te slaan. Zelfs de vakmoffen hadden zoiets niet eerder gezien. Van de 12 blindgangers werden enkele door de Duitsers meegenomen, maar de andere werden op ons terrein Oost tot ontploffing gebracht. Het was een fantastisch gezicht toen na de explosie de balen afvalzijde, die ter bescherming om de bommen waren geplaatst, geheel uit elkaar bleken geslagen en de vlokken over het bos waren uitgespreid. Het geheel leek een aaneenschakeling van kerstbomen.

© 2016 Historisch Museum Ede. All Rights Reserved.

Design: @Magic