enka

40 jaar “Spinhuis” (bron de spindop 1962)

Onlangs is in De Spindop het bericht verschenen, waarin melding werd gemaakt van het veertigjarig bedrijfsjubileum van de fabriek te Ede. Dit jubileum is vrijwel ongemerkt voorbijgegaan. Het werd ook niet officieel gevierd omdat het nu eenmaal niet gebruikelijk is een veertigjarig jubileum van een bedrijf openlijk te vieren. Om daartoe over te gaan zal er nog tien jaar bij moeten worden geteld.

Toch is het wel de moeite waard de veertigjarige geschiedenis van TE eens terug te bladeren en uit de archieven materiaal op te vissen dat de geschiedenis van de fabriek markeert.

Maar een fabriek is een dood ding als er geen mensen bij betrokken worden en zo zal de veertigjarige geschiedenis van TE boeiend worden zolang en zoveel als men er mensen bij betrekt.

  

image002

In de vestiging van de Edese fabriek zijn uiteraard heel wat besprekingen voorafgegaan. Een kunstzijdefabriek stelt, wil zij goed functioneren, bepaalde eisen. Een van deze eisen is de vraag naar water en naar de kwaliteit ervan; een andere eis is de ligging aan een verkeersweg die het transport naar en van de fabriek vlot kan verwerken en een derde eis moest wel zijn personeel te vinden voor de bezetting van de fabriek. Er zullen meer eisen zijn geweest, maar deze drie zijn wel belangrijk. Ede kon er in voldoende mate aan beantwoorden. Er was ook ruimte genoeg, want aan de overzijde van de spoorlijn Ede-Arnhem lag een uitgestrekte woeste grond die de karakteristieke naam van "Schraaljammer" droeg. En op deze "Schraaljam- mer" is TE uit de grond verrezen. De fabriek werd gebouwd in een vierkant waarvan elke hoek een toren kreeg. In het hart van dit carré werd de krachtcentrale gebouwd. De fabriek zelf vormde de wanden tussen de torens. Er liep één weg door al deze fabriekslokaliteiten. De opzet van de fabriek doet wat denken aan een fort uit de oude Oosterse landen. Deze "militaire" gedachte behoeft niemand te verwonderen daar de bouwmeester van TE, Jhr. J. M. van den Bosch, genieofficier was geweest. Het voordeel van deze bouw was dat aan alle kanten kon worden uitgebreid en in de loop van deze afgelegde veertig jaar is dat dan ook gebeurd. Men zal alleen niet meer de rondweg door de fabriek ononderbroken langs kunnen gaan. Die verbindings-gang is er niet meer. Toen de fabriek in 1922 de poort opende was de ingang een andere dan die wij thans doorgaan. Het pad erheen begon aan de Bennekomseweg en liep tussen de korenvelden naar de fabriekspoort. Dit pad droeg de naam: Enkalaan. Er zullen niet zoveel mensen meer zijn die zich deze situatie herinneren. En nog minder zullen er zijn die de ploeg "De Kruyff" kennen, die tijdens de bouw op staande voet de mankracht kon leveren, die de bouw in de verschillende stadia van zijn ontwikkeling nodig had. In 1925 ondergaat de fabriek een uitbreiding als gevolg van de normale groei van de produktie en de verblijdende belangstelling voor het produkt bij de klant. Deze uitbreiding eiste vanzelfsprekend een verhoging van het personeelsgetal. Het spel met de ragfijne draadjes verlangde spelers met ragfijne handjes. Het is duidelijk dat deze spelers, speelsters waren en dat de fabriek bevolkt werd door zo'n drieduizend meisjes. De heer C. Teunissen, die op het ogenblik het archief van Ede beheert, weet uit die tijd nog veel bijzonderheden te vertellen. Er is een maximum geweest van 3200 meisjes, van wie er 2800 vervoerd moesten worden. Vierhonderd reden af en aan per fiets of kwamen te voet uit het dorp.

Hoewel Ede en zijn omliggende plaatsjes aanvankelijk een redelijk areaal voor het te betrekken personeel bood, was de gemeente niet opgewassen tegen de enorme vraag naar vrouwelijk personeel die in de loop der ontwikkelingsjaren ontstond. Dit vrouwelijk personeel werd uit gans Gelderland en een deel van Utrecht aangetrokken.

 image004

De meisjes kwamen zelfs uit Bunschoten en Spakenburg en vormden met hun kleurrijke klederdracht een heel aparte noot in het fabrieksleven. Dit personeel moest elke dag aan- en afgevoerd worden. Zo kreeg de fabriek een eigen perron, waarlangs de treinen konden "aanleggen" om de meisjes in de richting Wageningen, Utrecht of Arnhem te vervoeren. Maar deze treinen waren volstrekt niet voldoende om dit transport volledig uit te voeren. Vijftig auto's waren dagelijks nodig om het vervoer sluitend te houden. Dit vervoersprobleem leidde tot de oprichting van de N. V. E.V.A., een aparte maatschappij tot exploitatie van autobussen. Zo'n vervoer eist n.l. een enorme inspanning. Wij kunnen ons nauwelijks voorstellen hoe de organisatie van dit dagelijks weerkerend reuzentransport marcheerde, maar wij krijgen een indruk van dit reusachtige werk als wij vernemen dat er destijds richtingaanwijzers nodig waren om de meisjes (en vooral de nieuwe krachten) wegwijs te maken naar de treinen en de autobussen. De adjunct-stationschef van Ede zou er nog van kunnen vertellen hoe het spreekkoor van een trein vol meisjes hem begroette op het moment dat hij zijn pollepel hief en het vertreksein gaf. Tegen dat ogenblik juichte de ganse schare: "Hoe groot is ons cheffie ?" En als dan de lepel de hoogte in ging joelde de massa: "Zóóó groot!"

De behoefte aan vrouwelijk personeel leidde er ook toe dat er in het Parkhotel in het Oranjepark van Ede een eigen internaat werd ingericht, waar een vijftigtal meisjes uit Drenthe werd ondergebracht. De Drentse meisjes konden kennelijk niet gemakkelijk aarden in het Gelderse, want na een poosje keerden ze weer terug naar het "Olde land". Daarop volgde de komst van een aantal, meisjes uit Limburg, die onder hoede stonden van enkele kloosterzusters. Zijn wij goed ingelicht dan zijn deze kloosterzusters, na opheffing van dit internaat, in Ede gebleven en werkzaam bij het onderwijs.

Het Parkhotel bracht nog een andere complicatie met zich mee. Het bezat namelijk een drankvergunning. Indien er echter in één jaar van deze vergunning geen gebruik werd gemaakt dan verviel zij. Het was dus een noodzakelijkheid eens per jaar drank te schenken. De heer Van de Brink, chefboekhouder van TE in die dagen, nodigde dan de vermaarde veldwachter van Ede, eveneens een heer Van de Brink, uit een borrel te komen drinken, opdat aan de eis van de wet zou worden voldaan.

In 1927 werd de 100.000 kilo viscose bereikt. Een gebeurtenis die men rustig tot een der mijlpalen kan rekenen, waarmede de geschiedenis van de fabriek te Ede wordt gemarkeerd. Wie nu meent dat alle wegen over rozen zijn gegaan, die vergist zich. Behalve de voortdurende zorg voor de kwaliteit van het produkt, de zorg voor het op peil houden van het personeel, de zorg voor de afvoer van het afvalwater, deden zich ongelukken voor die de gemoederen in den lande schokten. Op 7 augustus 1925 ontplofte een zuurstof- cilinder in de fabriek, waarbij drie doden vielen en dertig man werd gewond. Er zijn van de herstelden nog steeds in dienst van TE, helaas, niet zonder de merktekens van hun destijds opgelopen verwondingen. Bij dit ongeval traden voor het eerst de E.H.B.O.'ers op die toen een opleiding achter de rug hadden. Onder hen bevond zich de heer Tesselhoff, die thans bedrijfsleider is en in mei a.s. zijn 40-jarig bedrijfsjubileum viert. In tegenstelling met het veertigjarig bestaan van de fabriek zal dit mannelijk jubileum niet onopgemerkt voorbijgaan. Op 7 mei 1926 geschiedde een tram botsing op de lijn naar Wageningen, waarbij een fabrieksmeisje om het leven kwam. Gelukkig is het bij deze tragische gebeurtenissen gebleven tot de oorlogsjaren. In september 1944 ontkwam ook Ede niet aan een bombardement tijdens de slag om Arnhem. Honderd bommen troffen de fabriek en deze aanval eiste levens. De oorlogsgeschiedenis van de fabriek is echter een hoofdstuk apart. Wij komen daar nog even op terug.

Een belangrijke maatregel die reeds dateert uit de tijd van de bouw van de fabriek (3 september 1919) was de oprichting van de woningbouwvereniging "Vooruit". De directie had toen reeds begrepen dat de beschikbare woningen in Ede niet voldoende waren om de komst van vele fabrieksmensen op te vangen.  

Voordat de fabriek in bedrijf kwam waren reeds twee woningcomplexen gebouwd. Eén van 180 en één van 120 woningen. In 1928 kreeg "Vooruit" een speeltuinvereniging. De buurtbewoners hadden kindertjes gekregen en deze kindertjes hadden een speeltuin nodig. Het is wel aardig vast te stellen dat de bouwmeester van deze beide woningcomplexen de latere hoogleraar aan de hogeschool in Delft was, nl. Prof. Eschauzier, de tweede leider van de z.g. "Delftse School". De geschiedenis van TE kent vele merkwaardige momenten die het memoreren bij het veertigjarig bestaan waard zijn.

Een belangrijk moment van betekenis is de verplaatsing van de exportafdeling annex sorteerderij naar Rotterdam Hillegersberg); de cone begon zijn glorieuze entree; de strengen bleek werd afgeschaft. In 1931 werd deze Rotterdamse onderneming opgeheven en de betrokken afdeling in Arnhem gecentraliseerd. De oorlogsgeschiedenis van TE krijgt een somber aspect als wij 17 sept. 1944 in de herinnering terug roepen. Wij schreven reeds dat de fabriek 100 voltreffers kreeg en zwaar werd beschadigd. Hierbij kwam één personeelslid om het leven. In het geheel sneuvelden elf anderen door oorlogshandelingen. Gelukkig waren de bedrijven niet leeggeroofd, zodat het na-oorlogsherstel snel kon geschieden. Sneller dan in Arnhem. Op 6 september 1945 ging de fabriek wederom in bedrijf. Er is nog een merkwaardige periode aan te wijzen in de oorlogsgeschiedenis van TE, nl. de installatie van de melkwolfabriek. Een spinbaar garen te produceren uit caseïne behoorde reeds lang tot de verworvenheden van de wetenschap. Onze onderneming echter heeft er nooit haar hart aan verpand, omdat zij niet geloofde in een houdbaar kwaliteitsprodukt. Onder invloed van de oorlogsomstandigheden en de schaarste aan cellulose is de caseïne als grondstof aanvaard. Na een jaar moest de produktie worden stopgezet, omdat de caseïne in de levensmiddelenvoorziening een belangrijke plaats ging innemen. Maar zijn wij goed ingelicht dan is men nimmer verrukt geweest van het produkt. Ir. Lely vertelde ons eens hoe hij met een melkwolpak op het balkon van een tram met zijn rug tegen de zijkant stond. De tram schudde nogal en het melkwol pak van ir. Lely werd door dit schudden lichtelijk tegen de wand gewreven. Wie beschrijft z'n ontsteltenis toen hij bij het uitstappen ontdekte dat de rug uit zijn pak was verdwenen. De slijtvastheid van melkwol bleek bijzonder laag te liggen. TE is toen vast opgelucht geweest dat zij de melkwolfabricage aan de kant kon zetten.

In 1946 heeft TE een 1.000.000 kilo rayon geproduceerd en dit feit was een plezierige aanloop voor de viering van het zilveren jubileum in 1947. Dit jubileum werd tevens gekenmerkt door het in bedrijf nemen van de viscosesponzenfabriek. De na-oorlogse jaren brengen ook voor Ede een grote vlucht. Het rayonbedrijf dat met zijn continumachines tussen 1949 en 1952 werd ontwikkeld, getuigt daarvan. Maar ook van de vernieuwingen bij de meer huiselijke instellingen getuigen de na-oorlogse jaren. Wij denken hierbij aan de nieuwe verbandkamer in 1948 en aan de nieuwe kantines in 1951.

Zo naderen wij met vaste schreden het jubileumjaar van vandaag. Natuurlijk hebben zich in de laatste tien jaren voortgaande vernieuwingen en voortgaande ontwikkelingen ook in TE gemanifesteerd.

De meisjes uit het verleden zijn allang over ons vaderland verspreid. In hun plaats namen de machines de taken over en het aantal medewerkers van nu beloopt nog niet de helft van het maximum aantal uit 1927.

Maar wij zouden te kort doen aan de herinnering als wij de gedachte niet zouden richten naar gebeurtenissen die op alle Edenaren uit die tijd een diepe indruk hebben achtergelaten. Het waren de kinderfeesten of beter de feesten voor kinderen waarin dr. en mevrouw Hartogs niet alleen de leiding namen, maar ook de hoofdrol vertolkten.

Met dit laatste herinneringsbeeld is het goed dit overzicht van 40 jaar TE te besluiten.

           

image006    image008

© 2016 Historisch Museum Ede. All Rights Reserved.

Design: @Magic