enka

Buitenlandse werknemers vanaf de jaren zestig

Door, Else Gootjes (Gelders Archief)

 

NIJMEGEN 1961.

41 64179

Een groep van 33 Griekse mannen komt in augustus aan op het Nijmeegse treinstation. Ze worden afgehaald namens de Nijmeegse kunstzijdespinnerij Nyma, de fabriek die vanaf dat moment hun werkgever is.


De mannen vormen de eerste groep Griekse arbeiders die in Nederland komt werken. Veel anderen zullen hun voorbeeld volgen. In de regio Nijmegen bestaat begin jaren zestig een nijpend arbeidstekort, veroorzaakt doordat honderden Nijmegenaren voor goed betaald werk naar het Duitse Roergebied pendelen, terwijl tegelijkertijd de bestaande Nijmeegse bedrijven zich uitbreiden. Om het tekort op te lossen worden in de loop van de jaren zestig groepsgewijs werknemers uit het buitenland aangetrokken. Zij worden aangeduid als ‘gastarbeiders’. In 1965 werken al meer dan zeshonderd gastarbeiders in Nijmegen, onder hen 110 Grieken die bij de Nyma-fabriek in dienst zijn. Ook op andere plaatsen in Gelderland ziet men steeds meer buitenlandse werknemers. “Gastarbeiders zijn in de bedrijven niet meer te missen”, zo constateert de Arnhemse Courant in 1965.

De komst van gastarbeiders.

In de jaren vijftig was Nederland overwegend een emigratieland, als gevolg van door de overheid aangemoedigde landverhuizingen naar landen als Canada, de Verenigde Staten, Australië, Nieuw-Zeeland en Zuid-Afrika. Alleen de repatriëringsgolven vanuit het vroegere Nederlands-Indië vormden daarop een uitzondering. Op individuele basis vonden buitenlandse pioniers wel al hun weg naar Nederland. Zij vestigden allerlei bedrijfjes en eenmanszaken, zoals de Italiaanse ijssalon Trio, die vlak na de Tweede Wereldoorlog te vinden was aan de Arnhemse Steenstraat. Gelderland telde in de jaren vijftig verscheidene Chinese en Indische restaurants en in de grotere gemeenten waren Italiaanse schoorsteenvegers en terrazzobedrijven gevestigd.


Rond 1960 begon het feitelijke fenomeen van de gastarbeid, een gevolg van het toegenomen vertrouwen in de economie, het tekort aan arbeidskrachten en de hogere individuele welvaart. Er ontstonden kleine stromen van arbeidsmigratie tussen de verschillende provincies. Zo kwamen Italiaanse gastarbeiders, die vanaf circa 1955 gewerkt hadden bij de Limburgse Staatsmijnen, naar Gelderland. Datzelfde deed een groep Turkse gastarbeiders, die vanuit Belgische mijnen op zoek ging naar beter betaalde, bovengrondse banen. De Spartafabriek in Apeldoorn nam een groep Turkse werknemers in dienst die werkzaam was geweest bij de Gasunie in Amersfoort. Naast deze kleine interne stromen kwamen er grote aantallen gastarbeiders rechtstreeks vanuit de mediterrane landen, al dan niet met de concrete belofte van een baan. Zij werden geworven door het Nederlandse bedrijfsleven dat kampte met een structureel arbeidstekort, vooral in de metaal-, textiel- en bouwnijverheid.

01.htm1

In Arnhem nam de Algemeene Kunstzijde Unie (AKU) aan de Tivolilaan in 1956 dertig Italianen in dienst. In het personeelsblad de Spindop werd hun komst uitvoerig met namen en foto’s beschreven, zowel in Nederlands als in het Italiaans. Ze waren bij aankomst van het station gehaald, met een bus rondgeleid door de omgeving en tenslotte naar een ‘tehuis’ aan de Kastanjelaan gebracht. In de jaren daarna traden meer Italianen bij AKU in dienst, zowel in de Arnhemse als de Edese vestiging. Waren de eerste Italiaanse gastarbeiders van AKU vooral afkomstig uit Noord-Italië, later kwamen ze ook uit Sicilië en Sardinië.


De werving geschiedde via advertenties in Italiaanse kranten, via de plaatselijke overheid en via de leiding van AKU-fabrieken in Italië. Doordat de werkgelegenheid in Italië snel verbeterde, keerden veel Italiaanse werknemers van AKU na enkele jaren terug naar hun moederland. In 1963 verlegde AKU daarom het accent naar Spanje. Het Spaanse ministerie van Arbeid gaf toestemming voor werving in meerdere Spaanse provincies. In mei 1963 werden de eerste Spaanse medewerkers bij AKU verwelkomd, een jaar later waren er vierhonderd Spanjaarden in dienst. In de volgende jaren werden ook Turkse werknemers aangetrokken.


Betonfabriek de Meteoor in Rheden zat eind jaren vijftig ook duidelijk om personeel verlegen. Werknemers kregen wervingsbiljetten mee om thuis voor het raam te hangen. Er werd veel en lang overgewerkt. Eind 1960 trok het bedrijf voor het eerst kleine aantallen buitenlandse werknemers aan. Het personeelsblad De Kollergang richtte op 2 december 1960 een welkomstwoord aan “onze Italiaanse medewerkers”. In januari 1961 werden opnieuw vijf Italianen in vaste dienst genomen. Om in het blijvende tekort aan arbeidskrachten te voorzien, besloot de Meteoor in 1964 op grote schaal buitenlandse werknemers aan te trekken, met name uit Turkije.

VGZ P146

Een vergelijkbaar beeld is te zien in andere Gelderse plaatsen. Begin jaren zestig werden de eerste Turkse werknemers aangenomen bij de Heveafabriek in Heveadorp, nabij Oosterbeek. In december 1964 kwamen veertig Turkse werknemers in dienst bij de Spartafabriek in Apeldoorn. Ook Vredestein in Doetinchem, de Parenco-papierfabriek (voorheen Van Gelder) in Renkum, Gazelle in Dieren, Lona Golfkarton in Loenen en van Gelder Papier in Apeldoorn namen buitenlandse werknemers in dienst, enkele jaren later gevolgd door de Nederlandse Kokosgarenfabriek (Nedcos) in Apeldoorn, chemiebedrijf Billiton in Arnhem, Philips in Nijmegen en diverse Gelderse slachterijen waaronder slachterij Van Stroomberg in Ede en enkele Barneveldse kipslachterijen. Rond 1967 werd het aantal buitenlandse werknemers in Arnhem geschat op ongeveer 1200, in Nijmegen op 850. Behalve groepsgewijs kwamen veel mediterrane werknemers tot 1968 ook ‘op de bonnefooi’ naar Nederland, vaak via reeds aanwezige familie en kennissen. Ze vonden werk en konden vervolgens een verblijfsvergunning krijgen. De meesten waren niet van plan om lang in Nederland te blijven. Hun gezinnen lieten de gastarbeiders daarom achter in het moederland. Met het verdiende geld wilden ze zo snel mogelijk terug naar huis, bijvoorbeeld om een eigen zaak te beginnen. In de praktijk zou echter het grootste deel van hen zich permanent in Nederland vestigen. 

Zorg voor huisvesting

De huisvesting van buitenlandse werknemers werd in eerste instantie gezien als een taak van het bedrijf dat hen in dienst nam. In het standaardcontract dat veel gastarbeiders in de jaren zestig aangeboden kregen, was vastgelegd dat de werkgever zou zorgdragen voor passende huisvesting en voeding. Het daarvoor verschuldigde bedrag mocht hij inhouden van het loon.


De eerste Italiaanse werknemers bij AKU in Arnhem werden gehuisvest in Casa d'Italia aan de Kastanjelaan. AKU nam voor dit huis de Italiaanse echtgenote van een Nederlandse medewerker in dienst. Zij verzorgde het eten en het huishouden. Later verhuisden de bewoners van Casa d’Italia naar de Pauwstraat (Il Pavone) en 1973 naar de Oude Velperweg, inmiddels woonden daar  toen ook enkele Spaanse werknemers van AKU. In 1965 werd voor de Spaanse werknemers van AKU woonruimte gebouwd in de vorm van vier barakken – drie woonpavilioens en een recreatiezaal [D.1]– met een totale capaciteit van 136 personen. Er waren twee dienstwoningen: een voor de beheerder en een voor de chef-kok. Het woonoord, dat naar de streek van herkomst van de bewoners Casa Galicia werd genoemd, lag aan de Westervoortsedijk op de hoek van de Dr. Lelyweg in Arnhem. Achter de AKU-fabriek in Ede, aan de Bennekomseweg, werd in 1965 eveneens een wooncomplex voor Spaanse arbeiders in gebruik genomen, genaamd Nuestra Casa (ons huis). De werknemers betaalden er 62 gulden per week voor kost en inwoning. In de jaren tachtig werden beiden wooncomplexen afgebroken.


De buitenlandse werknemers die in 1961 aan het werk gingen bij betonfabriek de Meteoor werden gehuisvest in hotel De Kroon te Dieren, waar ongeveer honderd mensen konden wonen. In Apeldoorn bouwde de Spartafabriek in 1965 houten paviljoens op het terrein achter de fabriek, als woonoord voor de Turkse werknemers. Het werd Küçük Türkiye (klein Turkije) genoemd. Het complex was voorzien van een gebedskamer en een recreatieruimte, en er was een Turkse kok in dienst. Voor het verblijf in dit woonoord werd 49 gulden ingehouden op het loon. In 1978 werd Küçük Türkiye gesloten, nadat de laatste bewoners, ongeveer twintig personen, naar Turkije waren vertrokken.


Buitenlandse werknemers werden niet alleen in woonoorden gehuisvest maar ook in particuliere commerciële pensions. Tussen circa 1965 en 1973 groeide het aantal pensions in Gelderland explosief, met name in gemeenten waar veel gastarbeiders werkten. In Nijmegen waren de pensions vooral gevestigd in de wijk Bottendaal, in Arnhem vooral in het centrum en in het Spijkerkwartier. Voor hun persoonlijke hygiëne maakten veel buitenlandse werknemers gebruik van openbare badhuizen, in tegenstelling tot Nederlandse werknemers, die inmiddels in meerderheid thuis douchegelegenheid hadden gekregen. De gemeente Arnhem besloot in de jaren zeventig vijf van de zes gemeentelijke badhuizen te sluiten. Alleen het sportfondsenbad in het Spijkerkwartier, dat voor driekwart bezocht werd door buitenlanders, bleef “vanwege het grote aantal buitenlandse gastarbeiders en in het oogpunt van volksgezondheid en maatschappelijk belang” geopend. 

Steun en begeleiding

Overheid en kerken benadrukten in de jaren zestig dat de Nederlandse samenleving de gastarbeiders dank verschuldigd was voor het werk dat zij deden. Kerken en maatschappelijke organisaties voelden de morele verplichting om hun een warm welkom en een goed verblijf in Nederland te bezorgen. “Zij dienen in de Nederlandse maatschappij te worden opgenomen. Dat is onze plicht”, aldus de Arnhemse Courant.


Vanuit deze gedachte ontstond in 1962 in de regio Arnhem/Nijmegen een commissie Buitenlandse Werknemers, een samenwerkingsverband van het Diakonaal Maatschappelijk Centrum, de Stichting Sociaal Caritatief Centrum en de Katholieke Emigratie Stichting Arnhem. Enkele oud-missionarissen, personeelsfunctionarissen en mensen werkzaam bij het maatschappelijk werk namen voor deze commissie in de regio Arnhem/Nijmegen initiatief. In 1964 richtte deze commissie de Stichting Bijstand Buitenlandse Werknemers (SBBW) afdeling Gelderland op, met als doel: ”de bevordering van het welzijn en de verlening van maatschappelijke bijstand aan personen met een andere nationaliteit, dan de Nederlandse, van welke levensbeschouwing dan ook, en werkzaam in het rayon Arnhem-Nijmegen”. De SBBW stelde zich ten doel centra te openen waar alle buitenlandse werknemers uit de omgeving na werktijd konden samenkomen. Het eerste ontmoetingscentrum, Centrum Europa genaamd, werd eind maart 1965 geopend aan de Sonsbeeksingel in Arnhem. In hetzelfde jaar werd een cultureel werker in dienst genomen ter ondersteuning van de Spaanse werknemers, in de jaren daarna ook een Turkse cultureel werker en een kracht voor het hele werkgebied van de stichting. De medewerkers van de SBBW hielden spreekuren, boden hulp bij het vertalen van brieven, gaven uitleg over loonstrookjes of gingen als tolk mee naar de huisarts. Zij belegden voorlichtingsbijeenkomsten over de werking van het arbeidsbureau, bedrijfsverenigingen en sociale wetgeving. Ook organiseerden zij recreatieve activiteiten, zoals filmavonden, folkloristische avonden, nationale feesten, excursies en sportactiviteiten. Zo speelden Nederlandse werknemers van AKU in Arnhem in de beginjaren voetbalwedstrijden tegen de Italiaanse en later de Spaanse werknemers. Ook in Nijmegen deed een team van Griekse voetballers mee aan de bedrijfcompetities en hetzelfde gold voor de Turkse medewerkers van Sparta in Apeldoorn, die meespeelden met verschillende voetbaltoernooien. Het gezamenlijk voetballen lijkt een landelijke trend te zijn: in Tilburg speelden sinds de komst van buitenlandse werknemers ook Griekse, Italiaanse, Turkse en Marokkaanse voetbalteams mee in bedrijfscompetities.


In 1969 werden werkgroepen van de SBBW in Doetinchem, Ulft en Apeldoorn gestart en in 1971 in Ede, Barneveld en Dieren/Eerbeek. Het hoofdkantoor van de SBBW Gelderland was gevestigd aan de Kastanjelaan 51 in Arnhem. Rond 1975 telde Gelderland ongeveer vijftien ‘trefcentra’ van de SBBW: in Arnhem een Italiaans, een Spaans en een Marokkaans centrum plus een moskee, in Apeldoorn een centrum voor alle nationaliteiten, in Doetinchem een Spaans en een Turks centrum en in Ulft een Spaans centrum. Daarnaast was er een Turks centrum in Doesburg, terwijl Ede en Lunteren centra hadden voor alle nationaliteiten. Ten slotte waren in Nijmegen een Spaans, een Turks, een Italiaans en een Marokkaans centrum, alsook een moskee gevestigd.


In 1969 werd vanuit de SBBW de Stichting Huisvesting Buitenlandse Werknemers (Stihubu) in Arnhem opgericht. Deze stichting richtte zich specifiek op het verlenen van huisvesting aan buitenlandse werknemers met gezinnen. De stichting wilde daarvoor eigen huizen exploiteren en panden in beheer nemen. In conflictsituaties met werkgevers stelde de stichting zich op als beschermende instantie zonder binding met het bedrijfsleven. De eerste panden in beheer van de Stihubu waren het voormalig hotel Hovi aan de Hommelseweg en enkele panden aan de Boulevard Heuvelink in Arnhem, beide met ongeveer honderd bewoners. In hotel Hovi werden voornamelijk kamers verhuurd aan Spaanse mannen die hun echtgenote wilden laten overkomen, wat pas toegestaan was als de man vaste huisvesting had.


De oprichting van de SBBW en de Stihubu sloot aan bij een landelijke trend, in alle Nederlandse provincies zijn deze stichtingen opgericht. De landelijke Stichting Bijstand Buitenlandse Werknemers ondersteunde en begeleidde de provinciale stichtingen, maar er werd door de SBBW Gelderland ook een belangrijke bijdrage geleverd aan de landelijke stichting.


In de beginjaren werd door SBBW noodgedwongen een beroep gedaan op de bedrijven waar gastarbeiders werkten om per buitenlandse werknemer een financiële bijdrage te leveren. Er was nog geen subsidiering door de overheid. Eind jaren zestig werden de provinciale stichtingen gesubsidieerd door het ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk. Hierdoor konden ze onafhankelijk van werkgevers de belangen van buitenlandse werknemers behartigen.

Van tijdelijk naar permanent

Halverwege de jaren zeventig maakten de oliecrisis en een verslechterende economie een einde aan de werving van buitenlandse werknemers. Hoewel hun arbeidskracht inmiddels minder nodig was, bleken slechts weinig gastarbeiders ervoor te voelen terug te keren naar hun moederland, waar de economische situatie vaak nog ongunstiger was. Het besluit om in Nederland te blijven had een nieuwe stroom immigranten tot gevolg, omdat velen hun gezin of partner uit het herkomstland naar Nederland lieten komen. De onafhankelijkheid van Suriname in 1975 leidde bovendien tot een extra migratiestroom richting Nederland. Anders dan in de voorafgaande decennia was deze migratie permanent van aard.


Ook in Gelderland werd de toename van de immigratie in de jaren zeventig en tachtig zichtbaar. De toegenomen werkloosheid onder gastarbeiders stimuleerde de oprichting van kleine ondernemingen voor en door immigranten, zoals ijssalons, cafetaria’s, restaurants, koffiehuizen, slagerijen en kleine winkels. De gemeenschappen van migranten groeiden. De centra die de SBBW had opgericht werden rond 1985 overgenomen door gemeenten. In de praktijk betekende dit echter dat de meeste centra sloten. Mede daardoor werden in de jaren tachtig eigen verenigingen van migranten in Gelderland opgericht. Een voorbeeld is de Griekse vereniging van Nijmegen en omstreken, die voor een symbolisch bedrag het kocht van de gemeente en daar zonder verdere subsidies allerlei activiteiten ontwikkelde, waaronder een Griekse school. Daarnaast ontstonden ook Italiaanse, Spaanse, Turkse, Marokkaanse, Koerdische, Molukse, Surinaamse, Antilliaanse, Arubaanse en Chinese verenigingen en stichtingen.


Waren de buitenlandse werknemers in de jaren zestig naar Nederland gehaald vanuit het idee dat ze hier tijdelijk zouden werken en daarna weer terug zouden keren naar hun geboorteland, in de jaren tachtig werd duidelijk dat ze zouden blijven.  


De basis voor de multi-etnische samenstelling van de Nederlandse en Gelderse bevolking werd gelegd in de jaren zestig. Gelderse bedrijven zouden het destijds zonder buitenlandse werknemers niet gered hebben. Zoals een bedrijfsdirecteur van AKU in Ede het verwoordde: “wanneer wij onze buitenlandse arbeidskrachten niet hadden gehad, hadden we zeker niet het resultaat bereikt wat we nu hebben. Sterker nog, waren ze er niet geweest dan zouden de bedrijven in Gelderland het erg moeilijk hebben gehad en wellicht niet meer hebben bestaan.


NOTEN:

1. Arnhemse Courant (25 november 1965).

2. Badhuisvoorziening in Arnhem – Gelders Archief, Secretariearchief 1970-1979, inv. 0303.

3. Arnhemse Courant (3 december 1965).

4. Briefwisseling Stichting Sociaal-Caritatief Centrum Arnhem en B en W van Arnhem, 20 juli 1964 -

Gelders Archief, Secretariearchief 1960-1969, inv. 1126.

5. “Onze buitenlandse arbeidskrachten” – productie van kunstzijde.

 

BRONNEN

archieven:

Gelders Archief, Arnhem:

Secretariearchief 1960-1969, inv. 1125 en 1126.

Secretariearchief 1970-1979, inv. 0303.

Archief E.T.I. Gelderland, inv 826.

Archief N.V. Betonfabriek Meteoor De Steeg, inv. 283 (Kollergang 17, december 1960).

Bibliotheek Gemeentearchief, Stichting Bijstand Buitenlandse Werknemers Regio Gelderland, 10 jarig bestaan, 1965-1975, Br. 115/15.

Centraal Archief Akzo Nobel, Arnhem (Personeelsblad de Spindop (1956-1969).)

 

LITERATUUR.

A. Cottaar, J. Lucassen en L. Lucassen, Van over de grens. Gids voor lokaal historisch onderzoek naar immigratie in  Nederland (Utrecht, 1998).

“Eigen paviljoens voor Turken bij Sparta”, Nieuw Apeldoornse Courant (23 februari 1965).

I. van Hoorn en H. Oosterhof, In mijn hoofd twee huizen. Een beeld van de tweede generatie Turken in Apeldoorn (Apeldoorn: Historisch Museum Marialust, 1986).

J. Lucassen en R. Penninx, Nieuwkomers, Nakomelingen, Nederlanders. Immigranten in Nederland 1550-1993 (Amsterdam, 1999).

M.M.M. de Mol, 150 jaar Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Nijmegen en Omstreken (Nijmegen, 1992).

J. Stads, P. Spapens en H. van Doremalen Werken, werken, werken. De geschiedenis van de gastarbeiders in Tilburg en omstreken 1963-1975. (Utrecht, 2004).

Dit artikel kwam mede tot stand door de aanwijzingen en voorbereidingen van Brord van Straalen †

© 2016 Historisch Museum Ede. All Rights Reserved.

Design: @Magic