enka

Van garenstrengen naar cones

NB77.h3

In de dertiger jaren vond de overgang plaats van het strengen haspelen naar het spoelen van garen op conisch gevormde hulzen. De cones was het nieuwe verkoopartikel (eindprodukt) in die jaren. In die tijd werd het garen nog niet op scheerbomen verkocht. Op de oude foto ziet u de beide bewerkingen in één afdeling.

Deze overgang bracht voor het bedrijf een grote verandering met zich mee. Het fijne handwerk van strengen splitsen, sorteren en inpakken verdween voor machinewerk. Het eerste cone-machinepersoneel waren meisjes. Toen later de conerij in ploegendienst ging werken, werden de meisjes geleidelijk door jongens vervangen. Hoe ging het conen in de vijftiger jaren? De coners werkten in een spierwitte overall. Aan de riem een knoopmachine met sponshoudertje, een boekje etiketten, schuin weggestoken achter de riem een slinger voor de spindels en een poetslapje. In de zak van de overall een paar handschoenen. De matcones werden namelijk gehanteerd met de handschoenen aan. In die tijd had een coner nog geen eigen knoopmachine. Men nam de knoopmachine over van de afgaande ploeg. Dat gaf dikwijls ruzie, want een goede knoopmachine was zeldzaam. Knopen maken deed men heel veel. Men maakte toen cones van 1700 gram en 12 knopen in zo'n cone van A-kwaliteit was normaal.  

Klik hier voor het boekje (pdf file) "Voorschriften voor het gebruik van spoelenstrengen".

De draad van de kleine garenwikkeltjes van 400 gram stond altijd op het punt van breken. Geregeld moest de coner de manchetten van de wikkels aandrukken en duimen betekende de knopen en vouwen gladmaken en fatsoeneren, want dat voorkwam draadbreuk. Dat was monnikenwerk, want het garenpakket mocht beslist niet beschadigen. Eénmaal in de veertien dagen moest men bij de manicuurster komen (Neeltje) en werden de nagels en nagelriemen behandeld. Aan het einde van de rijen conemachines hing een doeken zak met talkpoeder voor het nog gladder maken van de handen. Je klopte met beide handen tegen de zak en dan wrijven. Soms vloog zo'n zak met talkpoeder door de lucht en kwam terecht in de nek van een collega met de witte gevolgen van dien. Het was hard werken. De spindels waren toen uitgerust met zwevende pluizenvangers. Wanneer de draad maar even onrustig liep, stopte de spindel. Wanneer er te veel spindels stilstonden kreeg je een uitbrander van de voorman. Wanneer een cone vol was, moest de coner voor het begin van een nieuwe reis met het poetslapje de spindel schoonmaken/poetsen. Het garen was dun. Veelal 40 denier, maar ook 50 en 60 denier. De 40/12 (nu 44f12 decitex) was voor de dameskousenbreierij.  

TL-verlichting was er nog niet. De koplampen midden boven de rijen waren de enige lichtbronnen. Op sommige plaatsen werkte je op gevoel. Tijdens de pauze en toiletbezoek draaiden de machines door. Dat betekende na terugkomst dat alles stilstond. Dan was het hard werken om dat in te halen. Naar het toilet gaan was een luxe. De meesters waren streng.

Schafttijd was precies 20 minuten uit de afdeling weg en geen seconde langer. Eén meester met een dik buikje ging tegen schafttijd in de nauwe deuropening staan. We noemden hem "blauwe prins". Oudgedienden weten het nog wel. Op het moment dat hij een stapje opzij ging, was dat het sein en in een zucht was iedereen naar de kantine. Daar werd koffie verkocht voor 2½ cent in de toen bestaande ¼ liter melkflesjes. Bekers waren er toen niet. Toch zagen de coners kans om te eten en drie partijtjes te dammen.

Waar is die tijd gebleven....

© 2016 Historisch Museum Ede. All Rights Reserved.

Design: @Magic